zondag 5 november 2017

Walter Benjamin in Riga: vijf foto's

WALTER BENJAMIN IN RIGA: VIJF FOTO'S

In november 1925 verbleef Walter Benjamin in Riga (zie Jan Paul Hinrichs, Trefpunt Riga, Bas Lubberhuizen, 2017, pp. 98-112). De weerslag van dit verblijf is te vinden in zijn prozaboek Einbahnstrasse (1928). Benjamin verbleef op het adres Dzirnavu iela 53 / 17.


Riga, Dzirnavu iela 53, 17 september 2017
Foto © Jan Paul Hinrichs
 
Riga, Dzirnavu iela 53, 17 september 2017
Foto © Jan Paul Hinrichs
Riga, Dzirnavu iela 53, 17 september 2017
Foto © Jan Paul Hinrichs
Riga, Dzirnavu iela 53, 17 september 2017
Foto © Jan Paul Hinrichs
Riga, Dzirnavu iela 53 vanuit de hoogte van Hotel Radisson Blu,
17 september 2017

Foto © Jan Paul Hinrichs



Citaten en aforismen van Lucebert (Recensie)

LUCEBERT ALS CITARENKAMPIOEN

Voor een dichter is het wel de grootste eer om anoniem invloed uit te oefenen, geciteerd te worden zonder dat sprekers weten wie ze citeren. Van Dale-hoofdredacteur Ton den Boon (1962) publiceerde in 2007 bij de Nijmeegse uitgeverij BnM Wie wil stralen die moet branden, een boekje over de invloed van Lucebert (1924-1994) op de Nederlandse taal. Onder dezelfde titel komt hij nu bij uitgeverij De Weideblik met een gewijzigde versie, wederom verlucht door tekeningen uit Luceberts archief. Het gaat om een lange inleiding over Luceberts taalgebruik, metaforiek, idioom en grammatica én een ongeveer even lange bloemlezing, alles met bronverwijzing. Zo lezen we over magische regels als ‘de oude meepse barg ligt / nimmermeer in drab’ die kennelijk terugverwijst naar fanatiek woordenboekgebruik van Lucebert: hij graasde de Van Dale af. Geen moderne dichter had zo veel invloed op het Nederlands als Lucebert, stelt Den Boon. Maar hoe weet en meet je zoiets? Den Boon komt met verwijzingen naar het werk van Kousbroek, Hofland, Campert, Elburg en Nooteboom. Maar vrienden en generatiegenoten tellen eigenlijk niet mee. Wim de Bie en Ilja Pfeijffer lijken sterkere bronnen. Beroemde regels van Lucebert zijn er genoeg maar het is de vraag of flarden uit zijn taal, buiten de aan treinreizigers bekende Rotterdamse gevelspreuk ‘alles van waarde is weerloos’, werkelijk zo veelvuldig in de omgangstaal voorkomen als Den Boon soms suggereert. Waar eindigt een incrowd die veel weet en begint een algemeen publiek waar men die invloed uiteindelijk moet zoeken? Hoeveel lezers van dit blad kennen ‘dichters van fluweel’, ‘overal zanikt bagger’ of ‘eenvouds lichte waters’? Maar dit is een aanstekelijk geschreven boekje dat bewijst dat je taalkundig en zonder biografische details boeiend over een dichter kunt schrijven. Dan blijkt ook hoe ijzersterk en rijk Luceberts poëzie is. Ten slotte iets uit de bloemlezing, misschien een waarschuwing voor op de gevel van het Letterkundig Museum: ‘Roem is een fata morgana en dichters worden alleen bewierookt in heel kleine kamertjes, die op slot zijn.’

Ton den Boon (ed.), Wie wil stralen die moet branden. Citaten en aforismen van Lucebert. Met een inleiding over de invloed van Lucebert op de Nederlandse taal. Varik: De Weideblik, 2016. 95 p. € 7,50 (Molenstraat 6-6a, 4064 EG Varik lexiton@planet.nl).
 
| Eerder gepubliceerd in de rubriek 'Schoon & haaks' in De Parelduiker 21 (2016), nr. 5, pp. 66-67.

Rob Bindels: Nescio (Recensie)

NESCIO REVISITED
 
Het gebeurt te weinig: in niet meer dan honderd bladzijden, zonder al te veel polemiek of zendingsdrang en zonder foto’s die de lezer afleiden, met verstand van zaken uit de doeken doen wat een klassiek auteur nog kan betekenen. Het is een uitdaging om een vooral niet oubollig boekje te schrijven, waarin het essentiële over iemands leven en werk in een hedendaags daglicht staat en genoeg essayistische inslag overblijft dat het ook iemand boeit die alles al denkt te weten. Zoiets moet veteraan uit het redactiewezen Rob Bindels (1946) voor ogen hebben gehad in Nescio. De man die iets miste. Deze uitgave van Huis Clos is een uitgebreide en geactualiseerde versie van een kleurenbijlage van Vrij Nederland uit 1982. Het lijkt er een beetje op dat Bindels, van wie me geen boekpublicaties over andere onderwerpen bekend zijn, één boek levenslang herschrijft, want eerder publiceerde hij deeltjes over Nescio (1882-1961) in de reeksen Ontmoetingen (1974) en Grote Ontmoetingen (1978) van de Brugse uitgeverij Orion-Desclée De Brouwer en in de Synthese-reeks (1982) van De Arbeiderspers. Ten onrechte is Bindels bang ‘disproportioneel opnieuw aandacht te vragen voor een notoire nationale weinigschrijver’. Het onderwerp veranderde immers zelf: in 1982 wisten we weinig van Nescio’s nagelaten werk, waaronder het Natuurdagboek, dat in deze nieuwe uitgave uitvoerig aan bod komt. Bindels verbindt natuurbeleving met Nescio’s proza waarin ‘de beschrijving van de ruimte nauwelijks nog middel, maar al haast doel op zichzelf’ is. Hij concentreert zich op de duistere kant van Nescio, die schiep ‘uit niet te kunnen wat ik wil, uit niet te willen wat ik kon, uit te verlangen naar wat ik niet heb en naar wat ik niet ben.’ Zo ontstaat het beeld van een cynische moderne antischrijver, puttend uit ‘gruwzame melancholie en mijn ijzige eenzaamheid’ die zijn onkerkelijke God in de natuur vindt. Van de herinnering aan een enigszins grappige bohemien, die uit oude schoollectuur misschien was blijven hangen, blijft in ieder geval niets over. Het was wat mij betreft niet nodig stukken tekst met een verticale stippellijn in de kantlijn als ‘Intermezzo’s’ te markeren: dat haalt alleen maar spanning uit een betoog. Het slothoofdstuk over receptie had iets minder opsommerig gekund, maar dit blijft een boekje dat aan zijn doel beantwoordt:  de lezer deskundig en met herboren nieuwsgierigheid de weg terugwijzen naar Nescio. Zo verging het mij zelf: het nagelaten fragment ‘De profundis’ (waaruit boven is geciteerd) las ik meteen. Kernachtig concludeert Bindels: ‘Grönloh heeft geleefd als de meeste mensen, allerminst spectaculair; van de literaire wereld wilde hij niets weten en van schrijverij sprak hij niet omdat men anders op kantoor zou denken dat hij niet geschikt was voor zijn werk. De hoogtepunten van zijn leven, de gedachten, gevoelens, dromen, wensen, staan te boek.’ Ten slotte dit: uitgeverij Suhrkamp heeft Nescio nu een fraai Europees podium bezorgd door hem onder de ideaal kale titel Werke in 2016 op te nemen in de Bibliothek Suhrkamp. Maar zonder een nawoord van Nooteboom – van wie me een affiniteit met het onderwerp niet bekend was – ging het blijkbaar niet.

 Rob Bindels, Nescio. De man die iets miste. Rimburg: Huis Clos, 2016. 79 p. 750 ex. € 15,00 (Gerard Terborghstraat 16 hs 1071 TM Amsterdam info@uitgeverijhuisclos.nl)
 
| Eerder gepubliceerd in de rubriek 'Schoon & haaks' in De Parelduiker 21 (2016), pp. 65-66.

Briefwisseling C.O. Jellema - Jan Siebelink (Recensie)

C.O. JELLEMA EN JAN SIEBELINK IN GESPREK

In het voetspoor van Selbstfindung (2014) en Mijn beste lezer (2015) bezorgt Gerben Wynia in Uit diepe verwantschap een nieuwe uitgave van brieven van C.O. ‘Cor’ Jellema (1936-2003). Het gaat om de briefwisseling met Jan Siebelink (1938) uit de jaren 1986-1998.  Aan de ene kant zien we de weifelende dichter Jellema, die, vol doodsgedachten en wroeging dat het ware leven hem ontglipt, vroeg zijn Groningse universitaire baan opgeeft en zich op een landhuis met rozentuin in Leens terugtrekt. Hij gelooft ‘heel fundamenteel, nooit het gevoel [te] hebben, het uitrustende gevoel te behoren tot de wereld der geslaagden, daarin mee te tellen, ook al doorzie je die wereld als op drijfzand gebouwd’.  Ook van de uitgave van zijn verzamelde gedichten bij Querido (1992) geniet hij niet optimaal: ‘of dat nou verstandig is, zo’n balansopruiming -  zou dit het einde zijn?’ Daar tegenover staat de sportief besnorde, vlot in spijkerbroek gestoken leraar Frans en verbluffend productieve romanschrijver Siebelink, met zijn vrouw, kinderen en geslaagde gezinsvakanties in Frankrijk: ‘Probeer hier school en literatuur te vergeten. Wat aardig lukt. In dit door hitte en kruidige geuren vertragend bestaan.’ Ook deinst Siebelink er niet voor terug in de dubbeldekker van een Zundertse bordeelhouder mee te rijden in de karavaan van de Tour de France. Van eigen succes kan hij onbeschaamd genieten: hij is van een AKO-prijs nog tijden ‘in lichte euforie’. Jellema kan weinig met Siebelinks boek met wielrennerportretten Pijn is genot (1992), ‘zoals voetbal- en schaatswedstrijden mij absoluut niets zeggen, laat staan dat ik enig sportchauvinisme zou kennen.’ Het boekje geeft aardige inkijkjes in de wereld van twee auteurs die ver van de grachtengordel staan. Trouwens, Amsterdam ís ook heel ver voor Cor: ‘7 uur, onderweg!’ Zo weten we nu dat Siebelink (gedebuteerd in 1975) nog correspondeerde met Bordewijk (gestorven in 1965). In 1988 is hij zeer geïmponeerd door een gesprek met de weduwe Achterberg: ‘dat zou ik vroeger niet voor mogelijk gehouden hebben’. Jellema en Siebelink, die elkaar kenden van een luidruchtige literaire avond bij het Groningse studentencorps waarop Cor te dronken bleek om nog een woord te zeggen, blijven hoffelijk en hartelijk tegenover elkaar. Het is niet duidelijk waarom het contact afbrak in 1998: ‘door een misverstand’ vermoedt Siebelink nu. Wel zegde Jellema al jaren, soms niet helemaal overtuigend, af voor boekpresentaties van Siebelink: ‘helaas elders verplicht’. Maar hun verwantschap was al gedocumenteerd: Siebelink droeg zijn roman De overkant van de rivier (1990) aan Jellema op. Verder: Siebelink had omgang met James Purdy, bezocht hem in New York en publiceerde veel over hem. Dit is een aanvulling op het artikel in De Parelduiker (2016/3): de exclusieve rol die deze Amerikaan in Nederland speelde, blijkt nu weer groter dan gedacht en beperkte zich niet tot in homoseksuele zaken geïnteresseerde private pressers. De uitstekende, uitvoerige annotatie voegt veel toe aan dit boekje. Wel vraagt Wynia zich af wie een zekere Emiel H. kan zijn die Siebelink in 1996 in een Amsterdams café  ontmoette. Zal dat niet publicist en kroegtijger Emile Henssen zijn geweest (1950-1999), bij zijn dood redacteur van dit blad?

 C.O. Jellema & Jan Siebelink, Uit diepe verwantschap. Een briefwisseling. Nijmegen: Flanor, 2016. 95 p. € 19,50 (Beijensstraat 30, 6521 EC Nijmegen uitgeverijflanor@gmail.com)
 
| Eerder gepubliceerd in de rubriek 'Schoon & haaks' in De Parelduiker 21 (2016), nr. 5, pp. 63-64.

vrijdag 13 oktober 2017

Muurgedicht van Jan Wolkers in Oegstgeest

MUURGEDICHT VAN JAN WOLKERS IN OEGSTGEEST

Op 26 oktober 2017 is op een gevel tegenover Deutzstraat 7 te Oegstgeest, zijn geboortehuis, een muurgedicht van Jan Wolkers onthuld. Onderstaande foto is op 13 oktober 2017 gemaakt toen het gedicht bijna gereed was. Van de naam Jan Wolkers is alleen nog 'Jan Wo' geschilderd.




Muurgedicht 'De herinnering' van Jan Wolkers ontstaat
schuin tegenover zijn geboortehuis in Oegstgeest,
Deutzstraat 7, 13 oktober 2017.

Foto © Jan Paul Hinrichs

Onderstaande foto's zijn gemaakt tijdens de onthulling:




Voor de onthulling van het muurgedicht van Jan Wolkers,
Oegstgeest, 26 oktober 2017

Foto © Jan Paul Hinrichs
Voor de onthulling van het muurgedicht van Jan Wolkers,
Oegstgeest, 26 oktober 2017
 
Foto © Jan Paul Hinrichs
Voor de onthulling van het muurgedicht van Jan Wolkers,
Oegstgeest, 26 oktober 2017
 
Foto © Jan Paul Hinrichs
Voor de onthulling van het muurgedicht van Jan Wolkers,
Oegstgeest, 26 oktober 2017
 
Foto © Jan Paul Hinrichs
Voor de onthulling van het muurgedicht van Jan Wolkers,
Oegstgeest, 26 oktober 2017
 
Foto © Jan Paul Hinrichs
Na de onthulling van het muurgedicht van Jan Wolkers,
Oegstgeest, 26 oktober 2017
 
Foto © Jan Paul Hinrichs




| Klik hier voor foto's van het geboortehuis van Jan Wolkers.

Zie onderstaande publicatie voor meer informatie over Oegstgeest als thema bij Jan Wolkers en vele andere auteurs.


Jan Paul Hinrichs, De poëzie van een enclave.
Amsterdam: De Wilde Tomaat, 2017.
 isbn 978 90 824288 6 5.
Verkrijgbaar bij de boekhandel.
www.dewildetomaat.nl
 

woensdag 27 september 2017

Endegeest: een kasteel voor zenuwlijders


EEN KASTEEL VOOR ZENUWLIJDERS


Kasteel Endegeest, Oegstgeest, 21 mei 2017
Foto © Jascha Hinrichs

Sinds eind vorig jaar staat in Oegstgeest een illuster rijksmonument leeg: kasteel Endegeest. De perfect gerestaureerde gevel met immense schuiframen, het beeld van de zeventiende-eeuwse huurder en filosoof René Descartes op het binnenplein, het zandstenen obeliskje voor de poort en de ijskelder aan de slotgracht verraden op geen enkele manier dat het kasteel ruim een eeuw een psychiatrische instelling was gevestigd. Volgens de vastgoedsite van de gemeente Leiden komt het kasteel met aanpalende paviljoens en 60.000 m2 grond binnenkort in de verkoop. Een oligarch kan het kopen, maar er niet wonen: het gebouw krijgt een kantoorbestemming, ‘afhankelijk van de bestemmingsplanprocedure’. Endegeest was veel meer dan een gesticht: het speelde een unieke rol in onze sociale geschiedenis door baanbrekende vernieuwing in de zorg voor psychiatrische patiënten. De aanwezigheid van talloze schrijvers zowel onder stafleden als tijdelijke bewoners leverde verhalen en gedichten op die Endegeest legendarisch maakten.
Kasteel Endegeest, 19 mei 2017
Foto © Jan Paul Hinrichs
De zorg voor geesteszieken berustte aan het einde van de negentiende eeuw vrijwel uitsluitend bij levensbeschouwelijke organisaties. De gemeente Leiden zag hier een taak voor de overheid en kocht in 1895 de Oegstgeester landgoederen Endegeest en Rhijngeest voor 75.000 gulden van particulieren voor de vestiging van een ‘instituut voor krankzinnigen’. Rond het kasteel verrezen paviljoens in neorenaissancestijl, compleet met barak voor besmettelijke ziekten en lijkenhuis. Begin 1897 werden de eerste Leidse patiënten uit Delft overgebracht.* Ineens hadden patiënten, die vaak naar verre uithoeken tot in België werden afgeschoven, familie op loopafstand.
De gemeente trok van meet af aan op met de Leidse universiteit, een samenwerking zoals die niet eerder in Nederland was vertoond. De benoeming in 1899 van Gerbrandus Jelgersma tot eerste Leidse hoogleraar psychiatrie bestendigde de koppeling van  zorg op Endegeest aan academisch onderzoek en onderwijs. Deze trend versterkte zich in 1903 toen de gemeente vlakbij kasteel Endegeest de in Zwitserse chaletstijl opgetrokken kliniek Rhijngeest opende, met Jelgersma als geneesheer. Dit gebouw herbergde vooral de beter gesitueerde ‘zenuwlijders’. Endegeest bleef een armeninstelling en krankzinnigengesticht. Vestiging op een lommerrijke plaats met slingerpaden en vijvers had niets bijzonders, maar Endegeest was het enige Nederlandse gesticht dat gesitueerd was rond een kasteel.
Het personeel bestond aanvankelijk alleen uit vrouwen die eigen kamers hadden, terwijl ze in andere inrichtingen op zalen tussen patiënten sliepen. Het vermoeiendst voor de verpleegsters waren de badbehandelingen: patiënten werden permanent in een warm bad gehouden om symptomen te bestrijden. De stookkosten en duizenden liters duinwater per dag voor de vier baden maakten de therapie uiterst kostbaar. Andere patiënten moesten in de begintijd continu het bed houden. Het paviljoenstelsel onder een medische directie , afschaffing van gestichtskleding, een centrale radio-installatie en bioscoopvoorstellingen droegen bij aan het eigentijdse imago van Endegeest.
Het modernst was dat de psychoanalyse als heersende onderzoeksmethode haar intrede deed.  In 1914 zorgde Jelgersma voor opschudding door in een rectorale rede niet alleen Freuds Traumdeutung te behandelen, maar ook eigen dromen te bespreken. Internationaal telde Jelgersma mee: van Freuds Internationale Zeitschrift für Psychoanalyse kreeg hij in 1925 een feestnummer. Endegeest was de eerste Nederlandse instelling waar psychoanalyse vaste voet aan de grond kreeg.
Bad- en bedbehandelingen maakten geleidelijk plaats voor rigoureuze ingrepen die we ons nauwelijks meer kunnen voorstellen: de malariakuur waarbij besmet bloed werd ingespoten, de slaapkuur waarbij patiënten weken in slaap werden gesust én de comakuur. Een mattenvlechterij voorzag in arbeidstherapie. Maar stil bleef het niet. Volgens een gedicht van Redbad Fokkema waren in die autoluwe tijden patiënten ’s nachts tot in het dorp hoorbaar: ‘Zij liepen met spaden en wagens / dingen te doen die niemand begreep. […] Terug in het dorp / hoorden wij hen ’s avonds hard huilen.’

In de Tweede Wereldoorlog waren Endegeest en Rhijngeest de enige psychiatrische inrichtingen in de kuststreek die niet door de Duitsers werden ontruimd. Het weerhield de bezetter er niet van op 13 mei 1943 tien joodse patiënten weg te halen. In de oorlogstijd verwelkomde Rhijngeest ook zijn beroemdste patiënt: dichter Gerrit Achterberg. Zijn brieven uit de kliniek gaan over literaire zaken, niet over behandeling of oorlog. Na een verblijf op een waakzaal met vijf of zes andere patiënten en een broeder op de gang mocht Achterberg verhuizen naar een kamer met één andere patiënt. Hij vulde de tijd met gesprekken met psychiaters, gymnastiek en blad harken. De dagelijkse houtzaagtherapie weigerde hij. Het verblijf duurde langer dan gedacht maar de wegens moord opgenomen Achterberg liep vrij naar J.B. Charles op de Rijnsburgerweg en tot in de Leidse binnenstad.
Jan Wolkers, om de hoek bij Rhijngeest geboren, zag al als kind een standenmaatschappij in de Oegstgeester psychiatrische zorg. De hekken van Rhijngeest stonden dag en nacht open, maar niet bij Endegeest: ‘Even verderop aan de overkant achter een hoog hek dat van boven afgezet was
Uitzicht uit huis van Jan Wolkers,
Deutzstraat 7, Oegstgeest,
29 september 2012
Foto © Jan Paul Hinrichs
met prikkeldraad, kreeg je wat gewoon het gekkenhuis werd genoemd, waar de minder bedeelden zaten, en waarvan mijn vader zei, dat als je arm was zeker anders gek was dan wanneer je rijk was.’
Na 1945 bleef Endegeest een ziekenhuis voor zware gevallen en Rhijngeest een psychotherapeutische instelling. Nieuw was dat patiënten zich ook zelf mochten aanmelden. Oegstgeestenaar F.B. Hotz, die na de oorlog als bibliothecaris in Rhijngeest werkte, geeft in zijn verhaal ‘In naam der wetenschap’ een precieze beschrijving van dit statige gebouw: ‘De kliniek was ruim een halve eeuw oud en bood de aanblik van een art-nouveau berghotel zonder bergen. Er waren loggia’s met houten stijlen als lianen en het totaal van bos en gebouw zag er tegelijk idyllisch en nobel uit, alsof hier enkel vriendelijke wetenschap bedreven werd.’
Een andere illustere gast van de kliniek was, in het begin van de jaren vijftig, dichter, verhalenschrijver en huisknecht Jan Arends. Over dit verblijf, later voortgezet op Endegeest, is weinig bekend, al heeft Arends naar eigen zeggen ‘veel geschreven’.  Zijn meesterwerk ‘Vrijgezel op kamers’ stamt uit die periode. In een interview met de Nieuwe Revu verklaarde hij: ‘Ik schreef het toen om de psychiater duidelijk te maken, hoe het met mij gesteld was. Maar het werd niet serieus genomen. De psychiater zou zèlf wel uitmaken, wat de beste therapie voor mij was.’ Later werkte de dichter Hans Faverey lange tijd als staflid en psycholoog in wat de Jelgersmakliniek ging heten. Maar in zijn hermetische poëzie lijkt geen regel aanwezig die direct met de kliniek in verband kan worden gebracht.

Medici die in Leiden studeerden kwamen automatisch voor stage op Endegeest terecht. Dit moet al voor Vasalis gegolden hebben, wier studentenkamer in de Vogelwijk uitkeek op het bos van Endegeest. Haar befaamde gedicht ‘De idioot in het bad’ gaat ongetwijfeld terug op impressies uit het gesticht. Onder de stafleden treffen we later ook de jonge Willem Brakman aan. Zijn verhaal ‘Bedlam’ is gebaseerd op ervaringen als coassistent in Endegeest. Het bevat beelden van een parkomgeving en paviljoens die niet eenduidig te identificeren zijn, maar door één passage weten we meteen waar we zijn: ‘Op een avond toen hij dienst had liep Schenk nog een eindje om door het park en dacht aan Floris Verster, die zo prachtig de tuin had getekend van het gesticht Endegeest. Een vreemde ontroerende tekening vanwege de groenzwarte bomen, waarachter zo onhandig en verdrietig een vlek oranje is gekrast. Bij de vijver trof hij Streckfusz, die roerloos in het water stond te staren. “Waar denk je aan?” vroeg hij, toen Schenk vlakbij was. “Aan Floris Verster,” zei deze.’           
In Endegeest kwam de elektroshock als veel gebruikte therapie op, tot in de jaren vijftig voor de bestrijding van wanen en psychoses medicijnen als largactil en tofranil in zwang kwamen. De trekkar met touwen waarmee patiënten door de tuinen moesten lopen verdween, maar tuinploegen bleven: Endegeest functioneerde nog lang zelfvoorzienend voor groente. Varkenstallen leverden het nodige vlees op. In 1966 begroette Endegeest een beroemde patiënt: J.M.A. Biesheuvel. Het verhaal ‘De heer Mellenberg’ uit de debuutbundel In de bovenkooi beschrijft een patiëntenuitstapje naar Marken: ‘Wij zaten pal achter de chauffeur en die begon te schateren van het lachen. “Mooi stelletje gekken heb je meegebracht,” ginnegapte hij tegen broeder Sollie. “Ach man”, zei de laatste, “hou je bij je stuur. Dit is het neusje van de zalm van wat je op Endegeest kunt aantreffen.”’
Sollie komt terug in Biesheuvels verhaal ‘Paviljoen E’ dat de diepste afgronden van het leven illustreert, zoals een angstpsychose bij een gedwongen badbeurt: ‘In dit spierwit gekalkte vertrek zou ik worden geslacht, geofferd, gemarteld. De in de vloer verzonken baden met het hete water kwamen me voor als werktuigen uit de hel. De koperen buizen langs de muren, het schelle licht, de vele kranen, de matglazen ruiten, de opzichter in het vertrek met zijn gespierde armen en de felrode badhanddoek om zijn nek. Ik krijste als een varken in het abattoir.’
Biesheuvel brengt ons bij een andere auteur uit Endegeest: verhalenschrijver A. Moonen, gezegend met de reputatie van onze ‘meest vieze schrijver’. Hij zat in 1968 en 1970 in Endegeest: ‘Het kwam doordat ik allerlei dingen veel te intens wilde beleven.’ Ooit waren ze door programmamaker Wim Noordhoek uitgenodigd voor een VPRO-programma. Deze wist niet dat ze elkaar uit Endegeest kenden: ‘Ontzet klampte Maarten me bij binnenkomst aan. “Die man,” zei hij, wijzend op Moonen, “die man, die is gék.”’         

Jelgersma’s opvolger Eugène Carp, die met psychoanalyse minder op had, werd in 1964 afgelost door Jan Bastiaans, bekend van lsd-behandelingen bij oorlogstrauma’s. Endegeest ontsnapte niet aan de tijdgeest: voor grote opschudding zorgde eind jaren zestig een dertigtal dienstweigeraars die als verplegers waren ingezet en eisen gingen stellen rond medezeggenschap en rechtspositie. Naast de aloude alcoholisten verschenen patiënten met drugspsychosen. De jaren zeventig kwamen eraan: het ziekenhuis werd een ‘centrum’. Legendarisch blijft de Hobbitstee, een alternatieve opnamekliniek met hippiesfeer waar behandelaars en patiënten gelijkwaardig heetten te zijn.
De jaren tachtig zagen reorganisaties en verbouwingen: oude paviljoens werden afgebroken en vervangen door lage gebouwtjes met kamers in plaats van zalen. Groepsbehandeling en kleinschaligheid waren nieuwe toverwoorden. In 1987 fuseerde de Jelgersmakliniek, in de volksmond ‘De Oude Jel’ genoemd, met Endegeest en Huize Solglytt, een tehuis voor ouderenpsychiatrie binnen Leiden . Onder de patiënten treffen we ook steeds meer depressieve bejaarden aan en een nieuwe groep met specifieke problemen: buitenlanders. De tijd van ‘vermaatschappelijkte’ zorg begon, waarbij ‘zorg op maat’ werd geleverd en mensen door voorzieningen voor ‘beschermd wonen’ in de stad bleven. Het gevolg was dat Endegeest veel minder patiënten kreeg.
Beëindiging van huurcontracten werkte een nieuwe fusiegolf in de hand. Rond de eeuwwisseling ging Endegeest op in de regionale Rijngeest-groep die enkele jaren later, via een samengaan met de Robert-Fleury Stichting, GGZ Rivierduinen ging heten. In de kasteelzalen met gobelins en eikenhouten cassettenplafonds resideerde niet meer een geneesheer-directeur, maar de ‘raad van bestuur’ en concernstaf van deze instelling: het laatste overblijfsel van het zorgkasteel dat in 1897 was gestart en waaruit de patiënten al eerder waren verdwenen. In de opgeknapte Jelgersmakliniek zat al sinds 1999 het Oegstgeester gemeentehuis. De Endegeest-paviljoentjes uit de jaren tachtig gingen tegen de vlakte, net als hun meeste voorgangers uit 1897 waarvoor ze in de plaats waren gekomen. Een enorm gazon ligt nu rustgevend voor de kasteelpoort, alsof er nooit iets anders is geweest.
Het gazon voor de kasteelpoort van Endegeest,
6 oktober 2017
Foto © Jan Paul Hinrichs
Maar de patiënten zijn niet weg, alleen wat verder naar de randen van het landgoed verplaatst. Al langer zaten ze in autismecentrum Meander aan de bosrand, waar nieuwsgierige wandelaars gewaarschuwd worden niet langs de gebouwen te lopen. Achter het kasteel is nu kantoorachtige nieuwbouw in rode baksteen voltooid, die vanaf de Endegeesterstraatweg niet als inrichting herkenbaar is.

Met het vertrek van de Rivierduinen-staf uit het kasteel lijkt
Voormalige fietsenmakerij van
Endegeest, 6 oktober 2017
Foto © Jan Paul Hinrichs
het lijntje met het oorspronkelijke Endegeest definitief verbroken, al functioneert de oude kwekerij nog voor werktherapie. 
Kwekerij van Endegeest, 21 mei 2017
Foto © Jascha Hinrichs
De fietsenmakerij is onlangs gesloten. Wat een eeuw lang een bijzonder gemeentelijk en universitair initiatief was, raakte ingebed in regionale managementstructuren. In Oegstgeest blijft het ondertussen een bekend fenomeen: groepjes patiënten die onder begeleiding langzaam door het dorp lopen. Met de ervaren Albert Heijn-kassières in de De Kempenaerstraat onderhouden ze een warme band. Mannelijke patiënten alleen komen budgetbier halen. Allerlei concepten zijn op deze landgoedbewoners losgelaten: van badbehandeling in de oertijd tot toediening van het antidepressivum prozac vanaf eind jaren tachtig. Maar het bos van Endegeest blijft op ouderlijk advies verboden terrein voor de Oegstgeester jeugd. De afstand tussen patiënt en niet-patiënt bleef, net als bij Vasalis’ idioot bij zijn badbeurt: ‘elke week is hem het lot beschoren / opnieuw een bange idioot te zijn gebleven’.

*Enkele historische gegevens zijn ontleend aan Terug naar Endegeest (SUN, 1998) van Gemma Blok en Joost Vijselaar.

| Eerder gepubliceerd in Argus 1 (2017), nr. 8 (13 juni), pp. 6-7.

Het stuk verscheen daarna in twee afleveringen van De Praatvogel, juli 2017, pp. 16-18, en oktober 2017, pp. 22-24. Het gaat hier om het wijkblad van de Leidse Vogelwijk.

Zie mijn boek De poëzie van een enclave (De Wilde Tomaat, 2017) voor meer informatie over de rol van Endegeest in onze literatuur.








dinsdag 12 september 2017

Schoon & haaks [afl. 16]


SCHOON & HAAKS [AFL. 16]

In De Parelduiker staat vanaf nummer 2 van de jaargang 2014 de  rubriek ‘Schoon & haaks’ waarin ik publicaties van privédrukkers en marginale uitgevers bespreek. In de zestiende aflevering (2017, nr. 4) staan recensies van de volgende boeken:

  • Erich Kästner, Dr. Erich Kästners Lyrische Huisapotheek. Vert. Paul van den Hout. Amsterdam: De Wilde Tomaat, 2017.
  • Thomas Gray, Treurzang geschreven op een dorpskerkhof. Vert. Cornelis W. Schoneveld. Amsterdam: De Wilde Tomaat, 2017.
  • Tristan Corbière, De wrange liefdes. Vert. Martin de Koning. Ridderkerk: De Koning repro, 2017.
  • Jorgos Seferis, Gedichten. Vert. Selina Pierson. Baarn: Pominent, 2017.
  • Willem Huberts, De man met vele namen. Bertus Smit 1897-1994. Nijmegen: Flanor, 2017.
  •  Maarten Doorman, Doormans klein handorakel. 100 aforismen. Nijmegen: Flanor, 2017.
  • W.B. Yeats, De spiraal. Vert. Paul Claes, Bleiswijk: Vleugels, 2017.
  • Hans Warren, Als amethystengloed in najaarsdromen… Eerste gedichten. Woubrugge: Avalon Pers, 2016.

| Zie verder Jan Paul Hinrichs, ‘Schoon & haaks’, De Parelduiker 22 (2017), nr. 4, pp. 70-74.