dinsdag 12 september 2017

Schoon & haaks [afl. 16]


SCHOON & HAAKS [AFL. 16]

In De Parelduiker staat vanaf nummer 2 van de jaargang 2014 de  rubriek ‘Schoon & haaks’ waarin ik publicaties van privédrukkers en marginale uitgevers bespreek. In de zestiende aflevering (2017, nr. 4) staan recensies van de volgende boeken:

  • Erich Kästner, Dr. Erich Kästners Lyrische Huisapotheek. Vert. Paul van den Hout. Amsterdam: De Wilde Tomaat, 2017.
  • Thomas Gray, Treurzang geschreven op een dorpskerkhof. Vert. Cornelis W. Schoneveld. Amsterdam: De Wilde Tomaat, 2017.
  • Tristan Corbière, De wrange liefdes. Vert. Martin de Koning. Ridderkerk: De Koning repro, 2017.
  • Jorgos Seferis, Gedichten. Vert. Selina Pierson. Baarn: Pominent, 2017.
  • Willem Huberts, De man met vele namen. Bertus Smit 1897-1994. Nijmegen: Flanor, 2017.
  •  Maarten Doorman, Doormans klein handorakel. 100 aforismen. Nijmegen: Flanor, 2017.
  • W.B. Yeats, De spiraal. Vert. Paul Claes, Bleiswijk: Vleugels, 2017.
  • Hans Warren, Als amethystengloed in najaarsdromen… Eerste gedichten. Woubrugge: Avalon Pers, 2016.

| Zie verder Jan Paul Hinrichs, ‘Schoon & haaks’, De Parelduiker 22 (2017), nr. 4, pp. 70-74.

 

zondag 10 september 2017

J. van Oudshoorn: Dagboek 1934-1943 (verschenen)

J. VAN OUDSHOORN: DAGBOEK 1934-1943

Op 9 september 2017 verscheen: J. van Oudshoorn, Dagboek 1934-1943. Bezorgd en van een voorwoord voorzien door Jan Paul Hinrichs. 's-Gravenhage: Statenhofpers, 2017. 132 pp.

Opl.: 75 Arabisch genummerde exemplaren in halflinnen + 15 Romeins genummerde exemplaren in halfleer. Prijs: € 90 (halflinnen).

Het gaat hier om het tweede en laatste deel van een uitgave van dagboeken van J. van Oudshoorn. In 2016 verscheen reeds Dagboek 1943-1947 bij de Statenhofpers.

Voor meer inlichtingen en bestellingen: https://statenhofpers.nl/

 
Foto Jan Paul Hinrichs, 2016


donderdag 3 augustus 2017

Miriam Merzbacher-Blumenthal: Een meisje uit Berlijn (Recensie)

EEN MEISJE UIT BERLIJN
 
Miriam Merzbacher-Blumenthal (1927) emigreerde in 1937 met haar familie van Berlijn naar Amsterdam. Haar vader vond de dood in Auschwitz, haar broer stierf in Mauthausen van waaruit hij in een brief nog optimistisch bleef. Zij en haar moeder, die ooit met Rilke correspondeerde, overleefden Theresienstadt en weken in 1947 uit naar de Verenigde Staten. Uitgeverij De Wilde Tomaat van Joan Ter Maten publiceert met Een meisje uit Berlijn een boekje met herinneringen aan de oorlogsjaren waarvan de Duitse en Engelse originelen niet in druk verschenen. Uitgangspunt zijn vaak objecten die pijnlijk aandoen, als vervanging van het leven. Over het horloge van haar vader schrijft ze: ‘Iets waarvan ik in zekere zin leven heb gemaakt […]. Daarom voel ik telkens wanneer ik het tegen mijn oor houd een wanhopige angst. Het zou kunnen dat het deze keer niet meer tikt. Maar in zekere zin houdt mijn gebaar ook een soort bevel in, of een gebed. Het moet doorgaan met tikken, altijd tikken.’ Als haar moeder is overleden, ruimt Miriam Merzbacher op: ‘De linnenkast, die ik meende in een handomdraai te kunnen opruimen, ontpopte zich als de weemoedkast.’ Ze vindt de talliet van haar broer, nog uit Berlijn meegenomen, waarvan ze niet wist dat die er nog was: ‘De wond was, en blijft, te diep, te ongeneeslijk, te onuitsprekelijk.’ De Holocaust is hier sober tot enkele tientallen bladzijden teruggebracht, tot gapend gemis. Het indrukwekkendst is het verhaal over het meisje Judith waarvoor ze oppas was. Een onbekende vrouw haalt haar weg bij haar ouders die ze nooit meer zou terugzien: ‘Ik zie alleen nog de rug van mevrouw Wijsmuller, die de wagen duwt. Ze lijkt kordaat voort te stappen. Waarheen, dat blijft een goed bewaard geheim.’ Judith overleefde als Joke in Friesland. Gemis kreeg ook een andere kant: de pleegouders leden diep toen ze haar na de oorlog weer moesten afstaan.

Miriam Merzbacher-Blumenthal, Een meisje uit Berlijn. Vert. Anne Stoffel. Amsterdam: De Wilde Tomaat, 2016. 49 p. €  8,90 (Overtoom 387-HS, 1054 JN Amsterdam dewildetomaat@ziggo.nl)

| Eerder verschenen in De Parelduiker 21 (2016), nr. 4, pp. 66-67.

L.H. Wiener: Over Bordewijk (Recensie)

WIENER OVER BORDEWIJK
 
In de Haarlemse Hof van Jan verschijnen onder de imprints Hof van Jan en de Korenmaat met regelmaat eenvoudig uitgevoerde boekjes in bibliofiele oplage. De locale matadors Geerten Meijsing, L.H. Wiener en P.F. Thomése spelen hierbij een hoofdrol. Van Wiener verschijnt nu Oog in oog met Bordewijk: een van de meer substantiële uitgaven van de Korenmaat. Het is de tekst van een lezing die Wiener op 13 september 2015 in Den Haag uitsprak ter gelegenheid van het festival dat het Bordewijk Genootschap (www.bordewijkgenootschap.nl)  vijftig jaar na de dood van Bordewijk organiseerde. Wiener zal een van de weinige aanwezigen zijn geweest die Bordewijk kenden: op zijn zeventiende bezocht hij de teruggetrokken levende, achtenzeventigjarige Haagse schrijver in zijn advocatenkantoor in Schiedam. Het was een gespannen bezoek bij een stroeve man: ‘Er valt een lange en ongemakkelijke stilte, die hij uiteindelijk opvult met de vraag of ikzelf ook al schrijf, waarop ik ontkennend antwoord, mezelf van een leugen bedienend.’ Wiener ziet de romans Bint en Rood paleis als ‘de essentiële Bordewijk’, wiens ‘latere werk niet in de schaduw kan staan van waartoe hij eerder in staat was, zoals dat overigens ook voor W.F. Hermans gold.’ Het resultaat is een enthousiasmerende tekst die lezers de weg terug naar Bordewijk kan wijzen. De verfilming van Karakter (1997) heeft voor menigeen één boek misschien iets te bekend gemaakt ten koste van de rest.

L.H. Wiener, Oog in oog met Bordewijk. Haarlem: de Korenmaat, 2016. 31 p. 150 ex. € 30 (Korte Margarethastraat 16-18, 2011 PK Haarlem info@hofvanjan.nl)

| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', in De Parelduiker 21 (2016), nr. 4, p. 66.

Apollinaire: Geheime gedichten (Recensie)

APOLLINAIRE VERTAALD
 
Deze rubriek mopperde wel eens dat uitgeverij Vleugels (voorheen Studio 3005) onbekende Franse auteurs zonder enige introductie uitgeeft. Een bewuste keuze zal dat niet zijn.  Guillaume Apollinaire (1880-1918) heeft minder introductie nodig, maar het is plezierig dat de onvermoeibare Paul Claes (1943) enige toelichting geeft bij zijn tweetalige uitgave van de Poèmes secrètes. Het gaat om hartstochtelijke, wellustige gedichten die Apollinaire in het najaar van 1915 schreef aan zijn kortstondige verloofde Madeleine Pagès. Als soldaat had hij haar in de trein ontmoet toen zij terugging naar Oran, Algerije, waar ze als lerares werkte. Hij schreef haar anderhalf jaar dagelijks. Wie bij Appollinaire  aan moeilijke gedichten denkt, komt bedrogen uit. Deze poëzie biedt heldere erotische beeldspraak, met de oorlog op de achtergrond: ‘En onze monden worden twee batterijen die elkaar beantwoorden’. Soms is Apollinaire misschien zelfs te duidelijk: ‘En ons huwelijk is een eeuwige paring / Je haardos is de tent waarin ik wil schuilen / Je benen zijn de triomfboog waardoor ik als overwinnaar rijd.’ In ieder geval hield Madeleine integrale publicatie van Apollinaires brieven aan haar tegen. De eerste ongecensureerde uitgave verscheen pas in 2005. Over receptiegeschiedenis lezen we altijd graag: dat Ernst van Altena de gedichten deels vertaalde naar een clandestiene uitgave uit 1949. Maar Claes vertaalt ze nu compleet.

Guillaume Apolinnaire, Poèmes secrets. Geheime gedichten. Vert. Paul Claes. Bleiswijk: Vleugels, 2016. 47 p. € 21,50 (Van ’t Hoffstraat 27, 2665 JL Bleiswijk info@uitgeverijvleugels.nl)

| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', in De Parelduiker 21 (2016), nr. 4, pp. 65-66.

Walter Benjamin, Ernst Bloch en i10 (Recensie)

WALTER BENJAMIN, ERNST BLOCH EN i10
 
Sociaalhistoricus en literator Arthur Lehning (1899-2000) had als drijvende kracht achter het internationale avant-garde tijdschrift i10 (1927-1929) veel baat bij contacten die hij in de jaren twintig opdeed in Parijs. Schrijver en kunsttheoreticus Walter Benjamin (1892-1940) en ‘neomarxist’ Ernst Bloch (1885-1977) ontmoette hij daar in een tijd dat nog niemand zich kon voorstellen dat deze personen decennia later iconen van de linkse beweging en Suhrkamp Verlag zouden zijn. Over Benjamin, die op de vlucht voor de nazi’s aan de Spaanse grens zelfmoord pleegde, verschenen inmiddels honderden boeken: meestal topzwaar academisch exegesewerk. Binnen zijn labyrintische oeuvre blijven de autobiografische werken Kindertijd in Berlijn rond 1900 en Dagboek uit Moskou het meest toegankelijk.  Lehnings weduwe Toke van Helmond geeft i10-correspondentie tussen Lehning, Bloch en Benjamin uit in Bin ich kein Schriftsteller? De Duitse boektitel zet de toon. Een groot deel van de tekst bestaat namelijk uit Duitse citaten: brieven van Bloch en Benjamin en aanvullend materiaal. Deze dosering is zo fors dat eigenlijk een beslissing onontkoombaar was: of alles in het Duits, ook de tekst van Van Helmond zelf, of al het Duits in het Nederlands vertaald. Het gevolg is een onrustige tekst waar de geïnteresseerde Duitse lezer ook niet veel aan heeft. De Duitse originelen van de meestal korte brieven hadden makkelijk in de voetnoten gekund die nu al twintig bladzijden beslaan. Het onderwerp is verder machtig interessant en levendig. Dat komt ook door het commentaar van Van Helmond, zoals over een ontmoeting van het drietal in Parijs in 1926 die zo geanimeerd was ‘dat Lehning zich deze tot in details herinnerde en altijd weer vertelde hoe ze lunchten met tomaten en eieren in olijfolie gebakken’. Het boekje biedt snapshots uit de avant-gardistische beweging van de jaren twintig. De hoofdrolspelers zijn voortdurend op reis. De economie van dit gebeuren is nooit zo duidelijk: hoe betaalden ze het allemaal? Het ging om mannen zonder vaste banen die het van moeizaam verdiende honoraria en elkaars solidariteit moesten hebben maar ook flink wedijverden, niet in de laatste plaats door de vrijgevochten artistieke vrouwen om hen heen die de gang van zaken misschien meer beïnvloedden dan ze zelf wilden toegeven. Die fantastische Parijse lunch van Lehnings levensgezellin Annie Grimmer, ‘van wie Bloch zeer gecharmeerd was’, heeft misschien meer nawerking gehad dan wat voor avant-gardistische tafelideeën ook. Bloch ontdekt later dat Benjamin voor een bijdrage aan i10 betaald is en hij niet en eist honorarium: ‘Ben ik geen schrijver?’ Lehning reageert laconiek en belooft te betalen: ‘het is immers sowieso bescheiden! – en het deficit is bovendien zo groot dat het geen groot verschil maakt.’ Maar deze brief kwam onbestelbaar terug. Zo’n boekje registreert ook alle vergeefsheid – bijdragen, bezoeken, reizen etc. die niet doorgingen  – die veel plannen omgeeft en die uiteindelijk even illustratief blijft als wat wel in i10 terecht kwam.

Toke van Helmond-Lehning, Bin ich kein Schriftsteller? Walter Benjamin en Ernst Bloch en hun medewerking aan i10. Rimburg: Huis Clos, 2016. 133 p. 450 ex. € 17,50 (Gerard Terborgsstraat 16 hs 1071 TM Amsterdam info@uitgeverijhuisclos.nl)
 
| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', in De Parelduiker 21 (2016), nr. 4, pp. 64-65.

Rob van Schaik: Herinneringen (Recensie)

HERINNERINGEN VAN ROB VAN SCHAIK
 
Rob van Schaik (1927) is een zoon van acteur, GAK-directeur en verzetsman Bernard van Schaik en romanschrijfster en toneelcritica Jeanne van Schaik-Willing: wereldse ouders met altijd mensen om zich heen. In het Amsterdamse artistieke milieu van rond de Tweede Wereldoorlog leerde hij veel prominenten en grote ego’s kennen. Vestdijk sliep bij hen op de Leidsegracht in de tijd dat hij op Henriëtte van Eijk uit was. Zijn moeder vond dat zij en haar vriendin Anna Blaman de vrouwelijke intellectuele top belichaamden: ‘Ik vond haar vreselijk, wat waarschijnlijk te maken had met mijn moeders extase over het hemelhoge niveau waarop hun beider geesten zich bewogen.’ Maar ook Roland Holst (‘gedroeg zich in gezelschap als een soevereine vorst’)  en A.A. Alberts (‘altijd sprekend in understatements’) kwamen langs. Van Schaik behoort tot de laatste generatie die over dit wereldje iets uit eigen beleving kan navertellen. Maar zijn boek Op weg naar een nieuwe wereld draait vooral om de grote thema’s waarmee een scholier werd geconfronteerd die rond zijn achttiende uit de oorlog kwam. Hij schildert een levendig beeld van de naoorlogse studentengeneratie in Amsterdam, ook van de disputen binnen het corps. Dispuutgenoot Johan Polak had een auto die hij buiten zicht parkeerde: ‘Dat werd dan ontdekt, waarna hij er extra mee werd geplaagd.’ Over de oorlog werd vooral gezwegen. Het was een kleine wereld waarin je Voskuil en Johan van Gogh – de vader van Theo – tegenkwam, met Ramses Shaffy op het terrasje zat, Joop Den Uyl hoorde spreken in een bovenzaaltje van Kriterion. Het woord ‘mieters’ uit Voskuils Bij nader inzien klonk overigens niet in dispuut Breero. Wel werd er ‘druk geroddeld. […] Er was nog geen sprake van een verfrissende wind die van buiten de grenzen op ons afwoei.’ Tot deze studententijd hoort ook de naoorlogse liftcultuur en de dorst naar contacten met buitenlandse studenten. Het interessantst is Van Schaiks schets van zijn studie in Amerika, een ver geheimzinnig land waarheen de reis per schip ging. Na de oorlogsjaren zorgde Amerika voor een enorm gevoel van bevrijding. De vriendschappen waren verfrissender dan in Amsterdam: ‘Je hoefde elkaars doopcel niet te lichten, je kon met een schone lei beginnen. Zonder omwegen knoopte je banden aan en wisselde je bekentenissen uit, waarmee onbedoeld het thuisfront van familie en vrienden op de achtergrond raakte.’ In Chicago kreeg Van Schaik college economie van latere beroemdheden als Milton Friedman en Friedrich Hayek, kampioen van het vrije markt-denken. Het boek bevat een schets over Hayeks nawerking, vooral via de bewondering die hij oogstte bij Ronald Reagan en Margaret Thatcher. Dit onderwerp is minder Van Schaiks eigen verhaal en was iets voor een ander boek geweest: over de naoorlogse politieke en economische orde. Hieraan leverde Van Schaik zijn bijdrage als ambtenaar op Buitenlandse Zaken en ambassadeur, laatstelijk bij de Verenigde Naties. Ook was hij VN-gezant voor Gaza en de Westbank. Een eerder boek van Van Schaik, Een schooljongen in de schaduw van de oorlog (2007), is onlangs herdrukt. Dit relaas biedt intrigerende inkijkjes in het leven op de Amsterdamse gymnasia Vossius en Barlaeus tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bijzondere aandacht heeft Van Schaik voor het lot van de joodse klasgenoten die moesten vertrekken. Hij komt ook met een zelfverwijt dat een generatie treft: ‘Ik blijf me aangesproken voelen door de verwijten van joodse vrienden die zich na augustus 1941 in de steek gelaten hebben gevoeld, omdat hun niet-joodse vrienden hen niet waren komen opzoeken of op een andere manier belangstelling hadden getoond.’ Beide boeken bevatten een massa interessante foto’s.

 
Rob van Schaik, Op weg naar een nieuwe wereld. Van servet naar tafellaken. Den Haag: eigen beheer, 2015. 182 p. € 20. Een schooljongen in de schaduw van de oorlog. Den Haag: eigen beheer, 2de druk 2015. 164 p. € 20 (rvanschaik@casema.nl)

|Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', in De Parelduiker 21 (2016), nr. 4, pp. 63-64.