donderdag 15 juni 2017

Artikel over Endegeest

ARTIKEL OVER ENDEGEEST

In het nieuwe opinieblad Argus verscheen zojuist een artikel over het kasteel Endegeest in Oegstgeest dat binnenkort in de verkoop komt.  

Zie verder: Jan Paul Hinrichs, 'Een kasteel voor zenuwlijders', Argus 1 (2017), nr. 8 (13 juni), pp. 6-7.

woensdag 14 juni 2017

Trefpunt Riga (boek verschenen)

TREFPUNT RIGA

Zojuist verscheen bij uitgeverij Bas Lubberhuizen Trefpunt Riga, een nieuw deel in de Het Oog in 't Zeil-Stedenreeks. Zie voor meer informatie de website van Bas Lubberhuizen.
Alexander Münninghoff aan het woord, op 15 juni 2017 in boekwinkel
Pied à Terre, Amsterdam, tijdens de presentatie van Trefpunt Riga.
De advertentietekst luidt: "De Letse hoofdstad Riga is van oudsher een modieuze, kosmopolitische en muzikale handelsstad waarop Baltische Duitsers, Letten en Russen hun stempel drukten. Trefpunt Riga peilt de literaire ziel van de stad. Een melancholieke en amoureuze kant speelt de hoofdrol, met opstellen over Kurt Tucholsky, Walter Benjamin, Giuseppe Tomasi di Lampedusa en anderen die tegen de achtergrond van de imposante stad van Jugendstil en art deco een grote liefde troffen. Late liefde is ook het thema van het befaamde toneelstuk Herfst in Riga van Aleksej Arboezov. Dit speelt aan het strand bij Riga, waarheen we ook de jonge Osip Mandelstam en de door de tsaar verbannen Maksim Gorki volgen."

Zie verder: Jan Paul Hinrichs, Trefpunt Riga. Amsterdam: Bas Lubberhuizen, 2017. 160 pp. ISBN  9789059374966

Inhoud

Vooraf

 ‘In Riga blaffen gouden honden, zingen verzilverde hanen’
Krišjānis Barons en de magie van de dainas

‘Een kamer vol zonneschijn en hyacintengeur’
De Koerlandse visioenen van Eduard von Keyserling

 ‘Van het vreemde naar het vreemde, en altijd is het nacht’
Rainis en het vrije Letland

 ‘Hier is het goed. Dennen, zee, stilte’
Maksim Gorki aan het strand bij Riga

 ‘De man die de witte dood koos’
Anna Achmatova, Michail Koezmin en een huzaar in Riga

 ‘Dit labyrint van moestuinen, bakkerijen en prikkeldraad’
Osip Mandelstam aan het strand bij Riga

 ‘Het wordt avond, zoals het alleen hier avond kan worden’
Kurt Tucholsky en een liefde uit ‘Riiiga’

 ‘In de massa op de boulevard – een heel dik volk’
Vladimir Majakovski ongewenst in Riga

 ‘Hij kwam van een andere planeet – ik had geen tijd voor hem’
Walter Benjamin en een bolsjewiste uit Riga

 ‘Geweldige en bijna verlaten uitgestrektheden’
Giuseppe Tomasi di Lampedusa en een standshuwelijk in Riga

 ‘Het bos hier bij de grens lijkt al helemaal Russisch’
Ivan Boenin: een Nobelprijswinaar op tournee

 ‘De oude stad ligt in rook’
Johannes Bobrowski, soldaat in Letland

 ‘Oud Riga bij nacht… Boeiend, nietwaar?’
Aleksej Arboezov en een late liefde in Riga

Epiloog: Stāmeriena

Noten

Verantwoording

Illustratieverantwoording
Persoonsnamenregister

maandag 12 juni 2017

Artikel over Valeri Perelesjin

RUSSISCH ARTIKEL OVER VALERI PERELESJIN

Op 17 mei 2017 publiceerde Julija Achmedova (Юлия Ахмедова) op de website Dv ('Dal'nij Vostok')  een groot artikel over Valeri Perelesjin dat ook uitgebreid ingaat op zijn Nederlandse contacten: 'Жить, чтобы писать. Литературовед Евгений Витковский и славист Ян Паул Хинрихс о Валерии Перелешине — последнем крупном поэте «русского Китая»'. Klik hier voor de tekst.  


vrijdag 2 juni 2017

Goethe: West-oostelijke divan (Recensie)

WEST-ÖSTLICHER DIVAN VERTAALD
 
Vertalers uit het Arabisch, Chinees en Russisch hebben het maar makkelijk: het publiek gelooft noodgedwongen wel wat er staat. Duitse poëzie vertalen is vrijwel altijd een ondankbare taak als de dichter niet Paul Celan heet. Velen zullen de noodzaak ervan ook niet inzien. Maar Ard Posthuma (1942) laat zich niet ontmoedigen. Hij begon ooit met de vertaling van Nederlandse literatuur ín het Duits. Uitgeverij Suhrkamp gaf zijn vertalingen van poëzie van Lucebert, Nooteboom en Nijhoff en van Slauerhoffs roman De opstand van Guadalajara uit. Daarna waagde Posthuma zich aan beide delen Faust, compleet. Nu biedt uitgeverij Flanor een vangnet voor een droomtitel die je nooit serieus verwacht: West-oostelijke divan (1819), Goethes bonte verzameling van zo’n tweehonderd gedichten gebaseerd op klassieke oriëntaalse poëzie. Weinig verzen hebben zoveel sprankeling en magie als ‘Selige Sehnsucht’ uit deze bundel. Achteraf: het was een geschenk voor het leven dat je zo’n gedicht nog op school hoorde. Maar hoe dit ideale devies nu vertalen: ‘Und solang Du das nicht hast, / Dieses: Stirb und werde!  / Bist du nur ein trüber Gast / Auf der dunklen Erde.’ Posthuma gooit in de slotregels de zaak om, formeel maar ook een beetje inhoudelijk: ‘En wie nooit de drang ervoer, / dit verga-en-word-geboren, / zal op deze donkere vloer / nooit het licht zien gloren.’ De vertaling van ‘Erde’ door ‘vloer’ overtuigt misschien niet helemaal, maar deze gecomprimeerde verzen eisen in vertaling vaak het onmogelijke. Posthuma komt in zijn uitvoerig toegelichte, complete vertaling vaak juist heel ver. Wat blijft hangen is een verbluffend laconieke karavaan- en bazarsfeer die ook iets zegt over Goethes leven: hij had juist een verhouding met de vijfendertig jaar jongere Marianne von Willemer. Van enige gedichten die hier onder Goethes naam verschenen, bleek zij naderhand de auteur. Misschien was dit zangkwatrijn van een meisjeskoor ook wel als onderlinge grap bedoeld: ‘Dichters doen graag onderdanig / om al dienend ons te dwingen, / maar ze worden pas echt hanig / als hun liefje goed kan zingen.’ Liefde,  in deze lichtvoetige verzameling het hoofdthema, is de ware steun voor een vrije persoonlijkheid: ‘Zolang die ons is gegeven / dunkt het grootst verlies ons klein: / ieder leven laat zich leven / zolang we onszelf maar zijn.’ Voor de liefhebbers van extracten uit onze vitaminewinkels: ook Goethes welbekende gedicht ‘Ginkgo Biloba’ staat in deze prachtige bundel.

 Johann Wolfgang Goethe, West-oostelijke divan. Vert. Ard Posthuma. Nijmegen: Flanor, 2016. 213 pp. € 19,50 (Beijensstraat 30 6521 EC Nijmegen uitgeverijflanor@flanor.nl)
 
| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', De Parelduiker 21 (2016), nr. 3, pp. 66-68.

Blaise Cendrars en Louise de Vilmorin (Recensies)

VAN BLAISE CENDRARS TOT LOUISE DE VILMORIN
 
Deze rubriek schreef eerder over de kleurige, avontuurlijk vormgegeven boekjes uit de avant-gardesfeer die Marc Vleugels op zijn naamloze proefpers drukte onder de imprint Studio 3005. Inmiddels concludeert Vleugels dat de naam van zijn grafisch ontwerpbureau geen geschikte naam is voor een uitgeverij. Hij gaat verder als uitgeverij Vleugels. Vooralsnog leidt dat niet tot een beleidswijziging: de handpers blijft actief, naast uitbesteed offsetwerk. Soms combineert Vleugels als vanouds beide procedés binnen een uitgave. De productie blijft enorm. Inhoudelijk draait het nu vooral om Franse literatuur, met een enkele Nederlandse dichter erbij. Zelfs zien we een Nederlandse dichter, Lans Stroeve (1961), die uit het Nederlands in het Frans wordt vertaald. Een oorspronkelijk Nederlands gedicht van Guus Luijters (1943) heeft, wellicht niet ontoevallig, ook een Franse titel. Vooropgesteld: prachtig dat iemand dit doet. Maar hoe lang houdt zo’n Franse vloedgolf stand? Onderbouwing ontbreekt hier grotendeels. Het gaat om auteurs die onbekend zijn en vaak niet geïntroduceerd worden, ook niet minimaal. Is dit een statement voor ‘autonome kunst’? Anders begrijp ik niet waarom onder een uitbundig omslag één vierkant, kort gedicht van Christophe Tarkos (1963-2004) uitkomt waarin eigenlijk alleen ‘Ik ben vrij’ en ‘ik schrijf wat ik wil’ staat.
     Een van de geslaagdste omslagen van de uitgeverij heeft het prozagedicht Ik heb gedood! (1918) van Blaise Cendrars (1887-1961). Zijn verhaal is wel vrij bekend: de Zwitserse wereldreiziger en dichter die in de Eerste Wereldoorlog in het Franse Vreemdelingenlegioen vocht en zijn rechterarm verloor. Ik heb gedood! bevat, naast soldatenliedjes (‘Als je nodig moet kakken / Laat dan je broek maar zakken’), in rap tempo opeenvolgende beelden over marcheren, wachten in loopgraven, aanvallen en gevechtspsychologie: ‘Er is geen leider met strepen meer. Instinctief volgen we wie altijd het koelbloedigst is geweest, vaak een onopvallende gewone soldaat. Alle bluf is verdwenen. […] De angsthaas duikt weg in een hol. Sommigen doen alsof ze dood zijn. En je hebt de hele zwik arme sukkelaars die zich kranig laten afknallen zonder te weten hoe of wat.’ De titel is ontleend aan de voorlaatste zin. De ik-persoon bespringt een Duitser: ‘Ik bespring mijn tegenstander. Ik breng hem een vreselijke jaap toe. Zijn hoofd is er bijna af. Ik heb de Mof gedood. Ik was feller en sneller dan hij. Directer. Ik heb het eerst toegeslagen. Ik heb gevoel voor realiteit, ik, de dichter. Ik heb gehandeld. Ik heb gedood. Als een man die wil leven.’ Hij had geen keuze. Over het onontkoombaar toegroeien naar een fatale climax en de beestachtige realiteit van een beslissend gevecht gaat dit prozagedicht, een hoogtepunt in de oorlogsliteratuur.
      Vleugels geeft ook ‘gewone’ boeken uit: ook aan het omslag komt geen proefpers meer te pas. Negen vertaalsters uit het Frans, verenigd in het gelegenheidscollectief Atelier de Traduction d’Amsterdam, komen met Sint Eensgelee (Sainte-Unefois, 1934) van societydame Louise de Vilmorin (1902-1969). Ze behoort bij de grote verleidsters. Om enige kans bij haar te maken moest je een jachtkasteel in de Karpaten hebben of graaf Paul Pálffy ab Erdöd heten, ambassadeur van Groot-Brittannië of Orson Welles zijn. Geld, macht en aanzien waren voorwaarden: Louise jaagde op gevestigde reputaties. De roman is geschreven op instigatie van toenmalige minnaar André Malraux met wie ze aan het einde van haar leven, als hij Frans minister van cultuur is, nogmaals een relatie heeft. Na haar dood kan hij op haar kasteel blijven als partner van een jong nichtje van De Vilmorin. Voor levensbeschouwelijk gedachtegoed hoeft men bij Louise niet te zijn. In enigszins surrealistisch proza lezen we van de grillen en amoureuze en artistiekerige dagdromen van een jonge freule Gratia op een kasteel. In haar feeërieke wereld vol parken, zomerfeestjes en bezoekjes is alles afhankelijk van impulsen uit de buitenwereld. De openingszin zet de toon: ‘Toen ze een veertje zag dwarrelen in de tocht kwam freule Eensgelee op de gedachte naar de bovenkamer te gaan.’ Alle handeling blijft zo licht en willekeurig als dat veertje: proza waar men ook gemakkelijk overheen leest. De ware wereld bestaat hier niet: ‘Anderen hebben touwtjes om aan te trekken en een roeping op aarde; ik heb niets te doen’. Alleen ‘gemakkelijke pleziertjes’ blijven over. Gratia leest aan het begin de afscheidsbrief van haar laatste geliefde, graaf Sylvio: ‘Ik zou zo graag willen dat u de lange perioden op Sint Eensgelee benutte om iets te maken waarin u zich werkelijk uit. Voor u sterft moet u toch meer geweest zijn dan een belofte.’ Zijn deze roman en Louises literaire carrière een antwoord op een dergelijke uitdaging?  Het boek is schitterend uitgegeven, met een stofpatroon op het omslag dat ‘door Louise de Vilmorin veelvuldig werd toegepast in haar salon in het familiekasteel te Verrières-le-Buisson’. Elders had dit werk niet gemakkelijk het licht gezien. De vertaalsters verantwoorden hun werkwijze niet: had ieder een deel, of is er over van alles gediscussieerd en gestemd, zoals in de vertaalgroepen van Karel van het Reve, bijvoorbeeld of je ‘un soufflé’ wel met ‘haagse bluf’ mag vertalen. Het vertalerscollectief  zegt ook niets over de noodzaak van deze vertaling.  De flaptekst biedt enige informatie maar bij een in Nederland onbekende figuur met zo’n wild leven verwacht je een nawoord met een zekere duiding, ook al omdat dit proza het gevaarlijke snijpunt van leegte en subtiliteit opzoekt.

Christophe Tarkos, Ik ben vrij. Vert. Kiki Coumans. 2016. 4 pp. 40 ex. € 14,00 | Guus Luijters, Ménilmontant. 2016.  8 pp. 63 ex. | Lans Stroeve, Petit livre d’eau. Vert. Jan H. Mysjkin. 2016. 16 pp. 65 ex. € 19,50  | Blaise Cendrars, Ik heb gedood! Vert. Mirjam de Veth. 15 pp. 107 ex. € 19,50 | Louise de Vilmorin, Sint Eensgelee. Vert. Atelier de Traduction d’Amsterdam. 2016. 93 pp. € 17,95 (uitgaven van Uitgeverij Vleugels, Van ’t Hoffstraat 27 2665 JL Bleiswijk info@uitgeverijvleugels.nl)
 
| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', De Parelduiker 21 (2016), nr. 3, pp. 64-66.

Joseph Roth: Aardbeien (Recensie)

ROMANFRAGMENT VAN JOSEPH ROTH
 
Vorig jaar debuteerde de Lochemse uitgeverij Het Huis met de Drie Gedichten met twee boekjes. Het verhaal Voor de wet van Franz Kafka kwam tweetalig uit zonder opgave van vertalersnaam. Onder de titel Heimwee. Kwatrijnen over onrust, twijfel en heimwee verscheen poëzie van Jacob Israël de Haan. Het zijn solide uitgegeven boekjes die inhoudelijk niets nieuws bieden. Uitgevers Boeije Jansen, ‘boekhandelaar in ruste’, en Roelof Wullink, ‘gepensioneerd uitgeversknecht’ (informatie op de website van de uitgeverij met foto van twee grijze eminenties), opereren met hun derde uitgave innovatiever en actueler. Onvermeld blijft evenwel dat de vertaling in 2012 al eens hors commerce verscheen als oudejaarsgeschenk van drukkerij Sanderus te Oudenaarde. Els Snick, drijvende kracht achter het onlangs opgerichte Joseph Roth Genootschap, vertaalde Erdbeeren, een romanfragment uit 1929 van Joseph Roth (1894-1939). Pas in de jaren zeventig kwam het onafgewerkte manuscript boven water. Een eerste Nederlandse vertaling, door Nicolien van Doorn (niet door Snick vermeld), verscheen in Het Oog in ’t Zeil (april 1989). Roth beschrijft hierin zijn geboortestadje Brody in Galicië, zonder dat de stad bij naam worden genoemd. Tot aan de Eerste Wereldoorlog was Brody de verste uithoek van het Habsburgse rijk, tegen de Russische grens aan. De localisering blijft beperkt tot ‘het oosten van Europa, in een grote dunbevolkte vlakte.’ De mensen zijn arm en leven van leningen, smokkel en diefstal  én van de giften van een locale graaf en een theehandelaar die jaarlijks zijn geboortestad aandoet. Roth toont ons een multiculturele wereld in een soort dwaze onschuld. Handwerkers en handelaren, die in Brody overheersend waren, worden niet als joden geïdentificeerd. Zelfverminking van jongens om dienstplicht te ontlopen, komt aan bod maar onvermeld blijft dat het om joden ging: ‘Sommigen namen koudwaterbaden en kregen een longontsteking of de tering, ze stierven een snelle of een langzame dood. Ze werden geen soldaat. De slimsten onder hen vertrokken naar Amerika.’ Identiteit sprak in deze wereld kennelijk voor zich: ‘Waar ik vandaan kom had ik geen papieren nodig. Iedereen wist wie ik was.’ Niemand betaalde belasting en de ambtenaren leefden van steekpenningen: ‘Daarom kwam niemand in de gevangenis terecht. Daarom betaalde niemand belastingen. Daarom had niemand papieren.’ Veel wordt vergeven, ook door de politie. De aardbeien, die elk jaar terugkwamen, symboliseren het einde van de winter en hoop in het algemeen. Roth toont een samenleving op de rand van het uitsterven, van vlak voor het totalitarisme dat na de Eerste Wereldoorlog toesloeg. Holocaust en stalinisme maakten aan deze schilderachtige wereld, met al haar krampachtige bijgeloof en onhandigheid, een einde, zonder dat Roth dit nog heeft geweten. Els Snick oppert in haar inleiding dat lezers ‘misschien wat teleurgesteld’ zullen zijn over allerlei tekortkomingen van een onafgemaakt manuscript. Dat ben ik niet: het fragmentarische is hier de vorm. Het boekje is een aaneenschakeling van levendige beelden uit de verdwenen wereld van joods Galicië. Idealisering is niet nodig: spanning broeide onder de archaïsche oppervlakte. Een  paradoxaal beeld blijft dan ook na: ‘Waar ik vandaan kom heerste vrede. Slechts de naaste buren waren elkaar vijandig gezind.’

Joseph Roth, Aardbeien. Een romanfragment. Vert. Els Snick. Lochem: Het Huis met de Drie Gedichten, 2016. 48 pp. 400 ex. € 15 (Markt 18, 7421 AA Lochem roelof@huismetdedriegedichten.nl)
 
| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks' in De Parelduiker 21 (2016), nr. 3, pp. 63-64.

maandag 29 mei 2017

Trefpunt Riga: boekpresentatie op 15 juni 2017

TREFPUNT RIGA: BOEKPRESENTATIE OP 15 JUNI 2017

De presentatie van Trefpunt Riga van Jan Paul Hinrichs (Bas Lubberhuizen, 2017) vindt plaats op donderdag 15 juni 2017 van 17.00 tot 19.00 uur in boekhandel Pied à Terre, Overtoom 135-137, Amsterdam. Alexander Münninghoff neemt het eerste exemplaar in ontvangst. Als u bij de presentatie aanwezig wilt zijn, kunt u zich aanmelden via aanmelden@lubberhuizen.nl.



woensdag 24 mei 2017

Schoon & haaks [afl. 15]

SCHOON & HAAKS [AFL. 15]

In De Parelduiker staat vanaf nummer 2 van de jaargang 2014 de  rubriek ‘Schoon & haaks’ waarin ik publicaties van privédrukkers en marginale uitgevers bespreek. In de vijftiende aflevering (2017, nr. 2-3) staan recensies van de volgende boeken:
  • Geert Buelens (red.), Plots hel het werd. Jacobus van Looy en de Battle of the Somme. Rimburg: Huis Clos, 2016.
  • Marie Adrien Perk, Luxemburgsche legenden. Landgraaf: Os Moddersproak, 2016.
  • Marie Adrien Perk, De Ardennen, per spoor. Landgraaf: Os Moddersproak, 2016.
  • Yves Bonnefoy, De gebogen planken. Vert. Kiki Coumans. Bleiswijk: Vleugels, 2016.
  • C.O. Jellema en Paul Beers, Alleen per brief. Nijmegen: Flanor, 2017.
  • Adriana Millenaar Brown, An Unlikely Hero: Adrianus Millenaar. Dutch Farmer Turned Diplomat in World War II Europe. Manchester Center, VT: Shires Press, 2015.
  • A.L. Snijders, Eenentwintig en andere varkensverhalen. Lochem: Het Huis met de Drie Gedichten, 2016.

| Zie verder Jan Paul Hinrichs, ‘Schoon & haaks’, De Parelduiker 22 (2017), nr. 2-3, pp. 168-172.

zaterdag 22 april 2017

William Blake: Verzen van Onschuld en van Ervaring (Recensie)

WILLIAM BLAKE VERTAALD

Uitgeverij De Wilde Tomaat van Joan Ter Maten stort zich op buitenlandse dichters uit het verre verleden. Na Andrew Marvell en Louise Labé (zie De Parelduiker 2015/5 en 2016/1) is nu de beurt aan de veel beroemdere William Blake (1757-1827) die men eigenlijk in een klassiekenreeks van Athenaeum-Polak & Van Gennep had verwacht. In deze uitgave van de Songs of Innocence and of Experience zijn de vertalingen geplaatst tegenover kleurenkopieën van de originele geïllustreerde platen van Blake. Dit is ook nadrukkelijk de bedoeling: de gedichten waren door Blake in handschrift meegeëtst met begeleidende illustraties. Pas na zijn dood verscheen deze poëzie in boekdruk. Nederlandse Blake-vertalingen zijn er weinig. Het bleef bij mijn weten bij twee versies van Het huwelijk van hemel en hel (verschenen in 1949 en 2001). De vijfenveertig Verzen van Onschuld en van Ervaring verschijnen hier voor het eerst compleet in vertaling. Cornelis W. Schoneveld (1935), die ook Marvell vertaalde, handhaaft Blakes wisselende versificatie. Het resultaat is een prachtig boekje, met bedrieglijk eenvoudige poëzie over het Paradijs en de Zondeval, vol blije baby’s, verdwaalde en teruggevonden knaapjes, trouwe schaapherders, huilende moeders en tegenstribbelende schooljongens: ‘Maar naar school te gaan op een zomerdag / O, ’t verhindert alle pret; / Ontdaan door ’t oog van wreed gezag, / Zijn de kleintjes aan ’t werk gezet, / Met tegenzin besmet.’

William Blake, Verzen van Onschuld en van Ervaring die de tegenovergestelde toestanden van de menselijke ziel laten zien. Vert. Cornelis W. Schoneveld. Amsterdam: De Wilde Tomaat, 2016. 115 p. € 20,00  (Overtoom 387-HS, 1054 JN Amsterdam dewildetomaat@ziggo.nl)

| Eerder gepubliceerd in de rubriek 'Schoon & haaks' in De Parelduiker 21 (2016), nr. 2, p. 67.

Geerten Meijsing: Brieven aan Nanne Tepper (Recensie)

MEIJSING SCHRIJFT TEPPER
 
Vlak na de jaarwisseling creëerden de boekenbijlagen een hype rond het brievenboek De kunst is mijn slagveld van Nanne Tepper (1962-2012). Drukke correspondentie had deze met zijn oudere collega Geerten Meijsing (1950). Een stevige positie in het marginale circuit ziet Meijsing nu bekroond met Brieven aan Nanne Tepper: een in heellinnen (halfperkament voor de verzamelaars) gebonden deel waar menig bestsellerauteur jaloers op zal zijn. Uitgever Jaap Schipper van de Statenhofpers besteedde bij een omvang van ruim 350 bladzijden de productie uit. Jack van der Weide bezorgde de brieven met een inleiding, uitvoerige aantekeningen en persoonsregister. De uitgave beslaat de jaren 1995-2000 (met één incidentele brief uit 2011). Meijsing is dan nog auteur van uitgeverij de Arbeiderspers en kijkt neer op ‘zo’n shittig zogenaamd bibliofiel reeksje’ waarvan hij het tegenwoordig wel moet hebben. Openhartig deelt hij Tepper in zijn werkplannen, depressies, psychiatrische opnames, drankgebruik enz. Hij is teruggekeerd uit Italië maar wil in Amsterdam eigenlijk niet zijn: ‘Je hebt er geen idee van hoe groot mijn afkeer en walging zijn van de schrijverswereld en de Ned. lit.’ We horen van alles over zijn sigaren, drankmerken en een peperduur sjaaltje uit Lucca. Zijn obsessie voor dure dingen krijgt iets D’Annunzio-achtigs. Het is geen wonder dat deze Italiaan die van zijn leven een kunstwerk maakte (‘wat mij in het geheel niet lukt, hoor’) voortdurend opduikt. Uit het hart komt Meijsings liefdesverklaring aan de Citroën DS, zijn symbool van vrijheid en gelukzalige onthechting: ‘mijn slakkenhuisje, mijn rugzakje, mijn mogelijkheid om te vluchten en terug te komen – nooit ben ik zo gelukkig als wanneer ik, liefst in mijn eentje, in de nacht, door West-Europa rijd.’ Gedachtewisseling laat zich dit briefcontact nauwelijks noemen. Beleefdheidshalve reageert Meijsing, vaak aan het slot van een brief, wel op Teppers uitlatingen maar meestal nogal oppervlakkig. De adressant doet er uiteindelijk niet toe: overduidelijk schrijft Meijsing alleen aan zichzelf. In ontmoetingen lijkt hij niet bijzonder geïnteresseerd. Plannen daarvoor blijven vaak bij dagdromen: ‘De Camargue is echt iets voor jou. Misschien kunnen we daar samen een restaurant beginnen’.
     Erotische ontboezemingen slokken voorspelbaar veel ruimte op. Een verhalende sfeer krijgen de brieven als ongeveer halverwege Layla ten tonele verschijnt: een 18-jarige callgirl die Meijsing via een escortbureau laat opdraven en vervolgens bij hem intrekt. Hier ligt dan niet voor niets de geboorte van een roman, Dood meisje  (2000). Dat brengt ons tevens tot de kern van deze brieven: het lijken pepmiddelen voor eigen werk, zo ook voor de roman Tussen mes en keel (1997). Liefhebbers van deze boeken krijgen een massa verhelderend materiaal. Nooit verwijst Meijsing naar de politiek of wat in de wereld gebeurt. Kranten leest hij niet. De actualiteit blijft beperkt tot voor buitenstaanders niet bijster relevante ontwikkelingen binnen de Arbeiderspers (Sontrop, Dietz, Fagel). Ondertussen moet Meijsing de vernedering ondergaan dat de in Noord-Europese literatuur gespecialiseerde Italiaanse uitgeverij Hyperborea wel ‘de grootste non-schrijver’ Eric de Kuyper en Nooteboom (‘reputatie kreeg die man plotseling cadeau’) uitgeeft maar hem, onze man in Italië, niet. Lobbyen leidt tot niets, ook niet als hij eigenhandig zijn roman Erwin in het Engels vertaalt. Meijsing komt tot een soort zelfinzicht: ‘misschien is de voorwaarde voor geluk wel om de literatuur helemaal vaarwel te zeggen.’ Literatuur dwingt Meijsing tot een niet te winnen strijd om geld: ‘Spaarzaam leven kan ik niet. Altijd met de verkeerde mensen omgegaan, die gewoon geld van hun eigen hadden.’ Maar of een smak geld - zeg van de P.C. Hooftprijs die inmiddels aan flink wat auteurs met minder talent is vergeven - hem duurzaam had geholpen? Dit boek gaat juist over het onvermogen een burgerbestaan te leiden, regie in handen te houden en over de hellevaart die aan een roman voorafgaat. Niet alles hadden we hoeven weten maar de brieven bieden een exclusieve blik in een literaire werkplaats, vol overmoed en evenzeer met messcherpe portretkunst: ‘Ik voel mij echt zo’n zichzelf overleefd hebbende variétéartiest, morsig, aan de drank, die rondreist met een buiksprekerspop.’ Overigens noemt hij, niet gecharmeerd van ‘tijdschriftjes’ (‘Ze willen allemaal iets van je’), ons blad ‘Het Parelhoen, o.i.d.’ Onderhoudend blijft Meijsing wel.

Geerten Meijsing, Brieven aan Nanne Tepper. Den Haag: Statenhofpers, 2015. 357 pp. 125 + 20 ex. € 95 / halfperkament met schuifhoes € 325 (Frederik Hendriklaan 6, 2582 BB Den Haag duodecim@telfort.nl).
 
| Eerder gepubliceerd in de rubriek 'Schoon & haaks' in De Parelduiker 21 (2016), nr. 2, pp. 65-67.

C.O. Jellema: Mijn beste lezer (Recensie)

BRIEVEN VAN C.O. JELLEMA
 
Deze rubriek wees al eerder op de bijzondere positie van Groninger dichter en essayist C.O. ‘Cor’ Jellema (1936-2003) in het marginale circuit. Dankzij de inspanningen van literair erfgenaam Gerben Wynia kreeg deze niet zo lang geleden overleden auteur een indrukwekkend aantal postuum verschenen titels op zijn naam. Nu verschijnt bij uitgeverij Flanor, drijvende uitgeefkracht achter de Jellema-revival, Mijn beste lezer: brieven van Jellema aan zijn broer Anne Otto ‘Annot’ Jellema (1938-2002) die arts was in Tanzania en Deventer. Oud zouden de broers niet worden en Cor lijkt dat in 1999 te beseffen: ‘Ik 62, jij bijna 61. Er doemt iets op aan de horizon: eindigheid.’ De uitstekend geannoteerde brieven missen de dramatiek en bekentenissfeer van de grote brievenuitgave Selbstfindung (zie De Parelduiker 2015/1): daarvoor kennen de broers elkaar ook te goed. Maar op getemperde toon openbaart zich de binnenwereld van een niet bijster opgewekte, weifelende auteur die ogenschijnlijk ver van het Westen opereert. Als Jellema vanuit de luwte van de Provinz-Intelligenz op het Boekenbal verzeilt, is hij verbaasd daar mensen te kennen. Hij heeft het gevoel dat hij niet echt leeft, dat ‘alles voorbereiding voor straks’ is. En of dat straks ooit is gekomen? Een universitaire aanstelling als germanist zorgt voor levenslange onbedreigde welvaart die misschien ook versuft. Cor wisselt wel van partner, verhuist en laat zijn zwaktes uitkomen, vooral zijn verslavende afhankelijkheid voor signalen uit de buitenwereld: ‘Als ik dépri ben, ben ik het besef van eigenwaarde volledig kwijt: ik ben niemand, waardeloos, dan wil ik geknuffeld worden, geaaid of: gevraagd voor een radio-interview, voor een TV-optreden: dan ben ik iemand. Ik ben daar afhankelijk van en dat is niet goed’. Maar de paradox regeert: Jellema geneert zich dan weer als mensen hem op zijn gedichten aanspreken. Ook had hij ‘vanaf de eerste handdruk een vreselijke hekel’ aan Adriaan van Dis die hem misschien zo’n TV-optreden had kunnen bezorgen. Aangrijpend is de brief over een vriend die hij vlak voor zijn euthanasie sprak: ‘eigenlijk is dat toch een afscheidsgesprek als voor een terechtstelling, iemand net zo oud als ik’. Uit Jellema’s dagboek citeert Wynia’s inleiding soortgelijke regels na zijn aanwezigheid bij de euthanasie van Annot, zijn ‘beste lezer’ die hij maar kort zou overleven.

C.O. Jellema, Mijn beste lezer. Brieven aan mijn broer. Nijmegen: Flanor, 2015. 62 pp. € 17,50 (Beijensstraat 30 6521 EC Nijmegen uitgeverijflanor@flanor.nl)
 
| Eerder gepubliceerd in de rubriek 'Schoon & haaks' in De Parelduiker 21 (2016), nr. 2, pp. 64-65.

Lo van Driel: Jan H. Eekhout (Recensie)

'HET GEVAL JAN H. EEKHOUT'
Wie herinnert zich een dichter, romanschrijver en vertaler Jan H. Eekhout (1900-1978)? Is hij ooit in brede kring bekend geweest? Komrij en Warren nemen in hun vlak na zijn dood verschenen bloemlezingen geen gedicht van hem op. Sinds 1970 is geen boek van hem uitgegeven of herdrukt. Het is verrassend dat een uitgesproken marginale figuur een dikke biografie krijgt. De aanleiding lijkt vooral zijn ‘geval’, niet zijn werk. Lo van Driel (1944) tekent in Een plooibaar talent het portret van een kameleon die met ijzingwekkend gemak wisselt van literair genre, uitgever, vrouw, huis en overtuiging. De lezer vraagt zich voortdurend af: zal Eekhout het weer doen? En ja hoor, Eekhout doet het weer. Het begint allemaal in Sluis maar van zijn schoolopleiding, mogelijk twee jaar ULO, blijkt even weinig terug te vinden als van nummers van de Sluische Courant waaraan hij meewerkt. Minieme kennis van schooltalen, laat staan van exotische talen, weerhoudt de kruidenierszoon niet van bewerkingen van Chinese poëzie, de Kalevala, het Gilgamesj-epos en kwatrijnen in de trant van Omar Khayyám. Hij publiceert, vooral in protestants-christelijke hoek, de ene dichtbundel na de andere. Voor een beetje comfort heeft Eekhout wat over. Via een huwelijk in 1931, waarbij bruid en dichteres Elisabeth Reitsma van te voren absolute kuisheid had bedongen, komt hij als onbemiddelde op de zolder van een Gronings patriciërspand terecht. Met de deels geplagieerde Zeeuws-Vlaamse streekromans Pastoor Poncke en Warden, een koning wordt Eekhout even bestsellerauteur. In de oorlog wijkt Eekhout met de huishoudster uit naar Leeuwarden. Inmiddels is hij NSB-bard, feliciteert Mussert met zijn verjaardag, noemt Mein Kampf een ‘prachtig boek’, vlucht rond Dolle Dinsdag  naar Duitsland en publiceert nog in maart 1945 een sonnet in Storm SS. Na de oorlog volgen interneringskampen en publicatieverbod. Al gauw zendt Eekhout eigen beheer-dichtbundeltjes met bedelbrieven rond. Schuldbewust is hij nooit: hij ziet zichzelf, als dromer met ‘verkeerd gericht idealisme’, als slachtoffer. De ‘barmhartige’ Anton van Duinkerken doet een goed woordje voor hem. Als tegenprestatie schermt Eekhout met een overgang naar het roomse geloof. Streekromans zijn passé en Eekhout stort zich op het detectivegenre. Uiteindelijk schrijft hij nog moderne poëzie à la Lucebert. Maar Van Driel adviseert ons niet het allemaal te gaan lezen.
         De levenslange aartsprovinciaal brengt via een vierde en vijfde huwelijk de jaren 1961-1978 door in Amsterdam. Welke letterkundigen groeten hem, welke cafés kan hij beter ontlopen? Of kent niemand hem en doet hij er gewoon niet toe? Dat is niet helemaal duidelijk in dit sober geschreven, rijk gedocumenteerde en geïllustreerde boek. Eigenlijk gaat het hier om een oud conflict dat zich in ‘het geval-Eekhout’ tot in het absurde heeft ontwikkeld: tussen ambitie en afwezigheid van persoonlijke stijl. Aartsvijand Marsman zag het scherp in 1939: ‘Maar de wil om dichter te zijn is bij hem nu eenmaal veel grooter dan het talent’.  Ab Visser stelde: collaboratie kwam door zijn minderwaardigheidscomplex en gevoel van miskenning. Maar niet iedereen in die positie collaboreerde. Van Driel doet er verstandig aan geen definitieve verklaringen te geven en biedt en passant een levendig beeld van een provinciaal echelon van de literatuur: het verzuilde Nederland van Anton van Duinkerken, de christelijke uitgeverij Callenbach en allerlei plaatselijke blaadjes waarbij een figuur als Eekhout zich prima kon verstoppen. Ook Eekhouts Zeeuwse kameraden Leo van Breen, Piet Meertens, Jo van Ham – pion van NSB-cultuurpaus Tobie Goedewaagen - en de even kameleontische Aleid Wensink komen goed uit de verf. De lezer raakt doodop van Eekhout maar zijn unieke ‘geval’ heeft een fascinerend verhaal opgeleverd. Zijn lichaam liet hij na aan de wetenschap.

Lo van Driel, Jan H. Eekhout. Een plooibaar talent. Aardenburg: Drukkerij Durenkamp, 2015. 351 p. € 22,95 (Weststraat 73 5427 BS Aardenburg info@durenkamp.nl)
| Eerder gepubliceerd in de rubriek 'Schoon & haaks' in De Parelduiker 21 (2016), nr. 2, pp. 63-64.

zaterdag 8 april 2017

Interview met Oegstgeester Courant, 15 maart 2017

‘DE POËZIE VAN EEN ENCLAVE’

Zie voor een interview onder deze titel door Willemien Timmers, verschenen in de Oegstgeester Courant (17 maart 2017, p. 1), de webversie van de krant. Het interview vond plaats naar aanleiding van het verschijnen van het boekje De poëzie van een enclave.



Jan Paul Hinrichs, De poëzie van een enclave.
Amsterdam: De Wilde Tomaat, 2017.
 isbn 978 90 824288 6 5.
Verkrijgbaar bij de boekhandel.
www.dewildetomaat.nl




donderdag 9 maart 2017

De poëzie van een enclave (boek verschenen)

DE POËZIE VAN EEN ENCLAVE



Vandaag verscheen bij uitgeverij De Wilde Tomaat in Amsterdam: De poëzie van een enclave, een boekje over een dorp, Oegstgeest, als literair thema. 



Jan Paul Hinrichs, De poëzie van een enclave.
Amsterdam: De Wilde Tomaat, 2017.
 isbn 978 90 824288 6 5.
Verkrijgbaar bij de boekhandel.
www.dewildetomaat.nl


[Tekst van de uitgeverij op de achterflap:]


In De poëzie van een enclave gaat Jan Paul Hinrichs op zoek naar sporen van zijn woonplaats Oegstgeest in de Nederlandse letteren. Jan Wolkers en F.B. Hotz zetten in hun welbekende romans en verhalen de toon, maar kasteel oud-Poelgeest, het Groene Kerkje, de psychiatrische inrichtingen Endegeest en Rhijngeest, het Zendingshuis en andere plekken komen in het leven en werk van nog veel meer schrijvers en dichters voor. Het gaat om J. van Oudshoorn, Nescio, Gerrit Achterberg, Hella Haasse, Jan Arends, W.F. Hermans, J.M.A, Biesheuvel, Frédéric Bastet, Maarten 't Hart en talrijke andere auteurs die voorheen niet eerder met het dorp in verband zijn gebracht. Het resultaat is een verrassend, vernieuwd beeld van de literair wellicht meest tot de verbeelding sprekende vierkante kilometer van ons land.


***
Trefwoorden: Jan Wolkers Terug naar Oegstgeest F.B. Hotz Geversstraat Albert Verwey De Olmen J. van Oudshoorn De Beukenhof Nescio Het Groene Kerkje Huizinga Muus Jacobse Klaas Heeroma Pieter Langendijk Jelgersmakliniek Gerrit Achterberg Jan Vermeulen Jan Arends Endegeest J.M.A. Biesheuvel A. Moonen Johann Wilhelm Schotman Luc Tournier M. Vasalis Willem Brakman Frank Koenegracht Johan Brouwer Oud-Poelgeest Augusta Peaux Herman Boerhaave Lloyd Haft Frédéric Bastet Willem Frederik Hermans Bergman E. du Perron Hella H. Haasse Redbad Fokkema Villa Eben-Haëzer J.B. Charles Kees Fens Maarten ‘t Hart Zendingshuis Rhijngeest
**

Enkele foto's die stonden bij een, nu verwijderde, blogversie van dit boekje
  
Oegstgeest, het bos van Endegeest, 14 juni 2013.

Foto © Jan Paul Hinrichs

Oegstgeest, rechts het Land van Bremmer, 15 november 2013.

Foto © Jan Paul Hinrichs

       
Het witte huis van de grootouders van
F.B. Hotz, Geversstraat 26, Oegstgeest,
29 september 2012.

Foto © Jan Paul Hinrichs
      
Geversstraat 26, Oegstgeest
29 september 2012.

Foto © Jan Paul Hinrichs

Oegstgeest, villa Eben-Haëzer,
15 november 2013.

Foto © Jan Paul Hinrichs



Society-gebeuren voor de ingang van De Beukenhof,
met medewerking van het tijdschrift Quote,
30 juni 2014. In november 2014 ging De Beukenhof
failliet. In april 2016 kwam er een herstart
als Villa Beukenhof.


Foto © Jascha Hinrichs
Kasteel Endegeest,
Oegstgeest, 14 november 2013.

Foto © Jan Paul Hinrichs




De plataan in het Oranjepark, Oegstgeest, 1 juni 2013.

Foto / Copyright © Jascha Hinrichs

Deutzstraat, Oegstgeest, links het inmiddels
gesloopte garagebedrijf van Van den Ameele, 
2 juni 2013.

Foto © Jan Paul Hinrichs


Garagebedrijf Van den Ameele is bijna
gesloopt, Oegstgeest, 11 juni 2013.
Rechts café De Gouwe.

Foto © Jan Paul Hinrichs


In het geboortehuis van Jan Wolkers,
Deutzstraat 7, Oegstgeest, 29 september 2012.
[Zie het bericht van 9 juni 2013 voor meer foto's van dit huis.]

Foto © Jan Paul Hinrichs

            
Uitzicht uit het geboortehuis van Jan Wolkers,
Deutzstraat 7, Oegstgeest, 29 september 2012.
[Zie het bericht van 9 juni 2013 voor meer foto's van dit huis.]

Foto © Jan Paul Hinrichs
Uitzicht uit het geboortehuis van Jan Wolkers,
Deutzstraat 7, Oegstgeest, 29 september 2012.
[Zie het bericht van 9 juni 2013 voor meer foto's van dit huis.]

Foto © Jan Paul Hinrichs



woensdag 8 maart 2017

Don-Aminado: Ook valsemunters hebben hun kosten (vertaling verschenen)

DON-AMINADO: OOK VALSEMUNTERS HEBBEN HUN KOSTEN

Vandaag verscheen bij uitgeverij Fragment in Leiden een vertaling van tweeënnegentig aforismen van Don-Aminado, pseudoniem van de Joods-Russische schrijver Aminad Petrovitsj Sjpoljanski (1888-1957). Hij werkte als advocaat en satirisch schrijver in Moskou en week na de revolutie uit naar Parijs.
Zijn aforismen, gedichten en feuilletons, die vooral  in kranten verschenen, genoten onder Russische emigranten een grote bekendheid. Na zijn dood was het decennia stil rond Don-Aminado. Rond de eeuwwisseling volgde een herontdekking van zijn werk in Rusland: talrijke heruitgaven verschenen. Zijn aforismen doen vaak algemeen menselijk aan, maar herkenbaar blijven de specifieke omstandigheden van het emigrantenbestaan die eraan ten grondslag liggen. Daarin ligt ook de originaliteit van dit werk, dat zich met al zijn sarcastische humor, gecomprimeerdheid en scherpzinnigheid met het beste in het aforistische genre kan meten.

Don-Aminado, Ook valsemunters hebben hun kosten. Uit het Russisch vertaald en van een nawoord voorzien door Jan Paul Hinrichs. Leiden: Fragment, 2017. 18 p. Oplage: 50 genummerde exemplaren. 

Zie verder de website van Uitgeverij Fragment.

dinsdag 14 februari 2017

Schoon & haaks [afl. 14]

SCHOON & HAAKS [AFL. 14]

In De Parelduiker staat vanaf nummer 2 van de jaargang 2014 de  rubriek ‘Schoon & haaks’ waarin ik publicaties van privédrukkers en marginale uitgevers bespreek. In de veertiende aflevering (2017, nr. 1) staan recensies van de volgende boeken:
  • Emmanuel Waegemans, Bibliografie van Russische literatuur in Nederlandse vertaling 1985-2015. Antwerpen: Benerus, 2016.
  • Joeri Olesja, Verhalen. Vert. Gerard van der Wardt. Amsterdam: De Wilde Tomaat, 2016.
  • Frans Erens, De heiligen en hun verering. Landgraaf: Os Moddersproak, 2016.
  • Frans Erens, En FranceDe Limburgse Tachtiger in de voetsporen van Taine. Landgraaf: Os Moddersproak, 2016.
  • J.M.A. Biesheuvel, Zwanezang. Woubrugge: Avalon Pers; 2016.
  • J.M.A. Biesheuvel, John P. en ik. Woubrugge: Avalon Pers, 2016

| Zie verder Jan Paul Hinrichs, ‘Schoon & haaks’, De Parelduiker 22 (2017), nr. 1, pp. 65-69.