woensdag 27 september 2017

Endegeest: een kasteel voor zenuwlijders


EEN KASTEEL VOOR ZENUWLIJDERS


Kasteel Endegeest, Oegstgeest, 21 mei 2017
Foto © Jascha Hinrichs

Sinds eind vorig jaar staat in Oegstgeest een illuster rijksmonument leeg: kasteel Endegeest. De perfect gerestaureerde gevel met immense schuiframen, het beeld van de zeventiende-eeuwse huurder en filosoof René Descartes op het binnenplein, het zandstenen obeliskje voor de poort en de ijskelder aan de slotgracht verraden op geen enkele manier dat het kasteel ruim een eeuw een psychiatrische instelling was gevestigd. Volgens de vastgoedsite van de gemeente Leiden komt het kasteel met aanpalende paviljoens en 60.000 m2 grond binnenkort in de verkoop. Een oligarch kan het kopen, maar er niet wonen: het gebouw krijgt een kantoorbestemming, ‘afhankelijk van de bestemmingsplanprocedure’. Endegeest was veel meer dan een gesticht: het speelde een unieke rol in onze sociale geschiedenis door baanbrekende vernieuwing in de zorg voor psychiatrische patiënten. De aanwezigheid van talloze schrijvers zowel onder stafleden als tijdelijke bewoners leverde verhalen en gedichten op die Endegeest legendarisch maakten.
Kasteel Endegeest, 19 mei 2017
Foto © Jan Paul Hinrichs
De zorg voor geesteszieken berustte aan het einde van de negentiende eeuw vrijwel uitsluitend bij levensbeschouwelijke organisaties. De gemeente Leiden zag hier een taak voor de overheid en kocht in 1895 de Oegstgeester landgoederen Endegeest en Rhijngeest voor 75.000 gulden van particulieren voor de vestiging van een ‘instituut voor krankzinnigen’. Rond het kasteel verrezen paviljoens in neorenaissancestijl, compleet met barak voor besmettelijke ziekten en lijkenhuis. Begin 1897 werden de eerste Leidse patiënten uit Delft overgebracht.* Ineens hadden patiënten, die vaak naar verre uithoeken tot in België werden afgeschoven, familie op loopafstand.
De gemeente trok van meet af aan op met de Leidse universiteit, een samenwerking zoals die niet eerder in Nederland was vertoond. De benoeming in 1899 van Gerbrandus Jelgersma tot eerste Leidse hoogleraar psychiatrie bestendigde de koppeling van  zorg op Endegeest aan academisch onderzoek en onderwijs. Deze trend versterkte zich in 1903 toen de gemeente vlakbij kasteel Endegeest de in Zwitserse chaletstijl opgetrokken kliniek Rhijngeest opende, met Jelgersma als geneesheer. Dit gebouw herbergde vooral de beter gesitueerde ‘zenuwlijders’. Endegeest bleef een armeninstelling en krankzinnigengesticht. Vestiging op een lommerrijke plaats met slingerpaden en vijvers had niets bijzonders, maar Endegeest was het enige Nederlandse gesticht dat gesitueerd was rond een kasteel.
Het personeel bestond aanvankelijk alleen uit vrouwen die eigen kamers hadden, terwijl ze in andere inrichtingen op zalen tussen patiënten sliepen. Het vermoeiendst voor de verpleegsters waren de badbehandelingen: patiënten werden permanent in een warm bad gehouden om symptomen te bestrijden. De stookkosten en duizenden liters duinwater per dag voor de vier baden maakten de therapie uiterst kostbaar. Andere patiënten moesten in de begintijd continu het bed houden. Het paviljoenstelsel onder een medische directie , afschaffing van gestichtskleding, een centrale radio-installatie en bioscoopvoorstellingen droegen bij aan het eigentijdse imago van Endegeest.
Het modernst was dat de psychoanalyse als heersende onderzoeksmethode haar intrede deed.  In 1914 zorgde Jelgersma voor opschudding door in een rectorale rede niet alleen Freuds Traumdeutung te behandelen, maar ook eigen dromen te bespreken. Internationaal telde Jelgersma mee: van Freuds Internationale Zeitschrift für Psychoanalyse kreeg hij in 1925 een feestnummer. Endegeest was de eerste Nederlandse instelling waar psychoanalyse vaste voet aan de grond kreeg.
Bad- en bedbehandelingen maakten geleidelijk plaats voor rigoureuze ingrepen die we ons nauwelijks meer kunnen voorstellen: de malariakuur waarbij besmet bloed werd ingespoten, de slaapkuur waarbij patiënten weken in slaap werden gesust én de comakuur. Een mattenvlechterij voorzag in arbeidstherapie. Maar stil bleef het niet. Volgens een gedicht van Redbad Fokkema waren in die autoluwe tijden patiënten ’s nachts tot in het dorp hoorbaar: ‘Zij liepen met spaden en wagens / dingen te doen die niemand begreep. […] Terug in het dorp / hoorden wij hen ’s avonds hard huilen.’

In de Tweede Wereldoorlog waren Endegeest en Rhijngeest de enige psychiatrische inrichtingen in de kuststreek die niet door de Duitsers werden ontruimd. Het weerhield de bezetter er niet van op 13 mei 1943 tien joodse patiënten weg te halen. In de oorlogstijd verwelkomde Rhijngeest ook zijn beroemdste patiënt: dichter Gerrit Achterberg. Zijn brieven uit de kliniek gaan over literaire zaken, niet over behandeling of oorlog. Na een verblijf op een waakzaal met vijf of zes andere patiënten en een broeder op de gang mocht Achterberg verhuizen naar een kamer met één andere patiënt. Hij vulde de tijd met gesprekken met psychiaters, gymnastiek en blad harken. De dagelijkse houtzaagtherapie weigerde hij. Het verblijf duurde langer dan gedacht maar de wegens moord opgenomen Achterberg liep vrij naar J.B. Charles op de Rijnsburgerweg en tot in de Leidse binnenstad.
Jan Wolkers, om de hoek bij Rhijngeest geboren, zag al als kind een standenmaatschappij in de Oegstgeester psychiatrische zorg. De hekken van Rhijngeest stonden dag en nacht open, maar niet bij Endegeest: ‘Even verderop aan de overkant achter een hoog hek dat van boven afgezet was
Uitzicht uit huis van Jan Wolkers,
Deutzstraat 7, Oegstgeest,
29 september 2012
Foto © Jan Paul Hinrichs
met prikkeldraad, kreeg je wat gewoon het gekkenhuis werd genoemd, waar de minder bedeelden zaten, en waarvan mijn vader zei, dat als je arm was zeker anders gek was dan wanneer je rijk was.’
Na 1945 bleef Endegeest een ziekenhuis voor zware gevallen en Rhijngeest een psychotherapeutische instelling. Nieuw was dat patiënten zich ook zelf mochten aanmelden. Oegstgeestenaar F.B. Hotz, die na de oorlog als bibliothecaris in Rhijngeest werkte, geeft in zijn verhaal ‘In naam der wetenschap’ een precieze beschrijving van dit statige gebouw: ‘De kliniek was ruim een halve eeuw oud en bood de aanblik van een art-nouveau berghotel zonder bergen. Er waren loggia’s met houten stijlen als lianen en het totaal van bos en gebouw zag er tegelijk idyllisch en nobel uit, alsof hier enkel vriendelijke wetenschap bedreven werd.’
Een andere illustere gast van de kliniek was, in het begin van de jaren vijftig, dichter, verhalenschrijver en huisknecht Jan Arends. Over dit verblijf, later voortgezet op Endegeest, is weinig bekend, al heeft Arends naar eigen zeggen ‘veel geschreven’.  Zijn meesterwerk ‘Vrijgezel op kamers’ stamt uit die periode. In een interview met de Nieuwe Revu verklaarde hij: ‘Ik schreef het toen om de psychiater duidelijk te maken, hoe het met mij gesteld was. Maar het werd niet serieus genomen. De psychiater zou zèlf wel uitmaken, wat de beste therapie voor mij was.’ Later werkte de dichter Hans Faverey lange tijd als staflid en psycholoog in wat de Jelgersmakliniek ging heten. Maar in zijn hermetische poëzie lijkt geen regel aanwezig die direct met de kliniek in verband kan worden gebracht.

Medici die in Leiden studeerden kwamen automatisch voor stage op Endegeest terecht. Dit moet al voor Vasalis gegolden hebben, wier studentenkamer in de Vogelwijk uitkeek op het bos van Endegeest. Haar befaamde gedicht ‘De idioot in het bad’ gaat ongetwijfeld terug op impressies uit het gesticht. Onder de stafleden treffen we later ook de jonge Willem Brakman aan. Zijn verhaal ‘Bedlam’ is gebaseerd op ervaringen als coassistent in Endegeest. Het bevat beelden van een parkomgeving en paviljoens die niet eenduidig te identificeren zijn, maar door één passage weten we meteen waar we zijn: ‘Op een avond toen hij dienst had liep Schenk nog een eindje om door het park en dacht aan Floris Verster, die zo prachtig de tuin had getekend van het gesticht Endegeest. Een vreemde ontroerende tekening vanwege de groenzwarte bomen, waarachter zo onhandig en verdrietig een vlek oranje is gekrast. Bij de vijver trof hij Streckfusz, die roerloos in het water stond te staren. “Waar denk je aan?” vroeg hij, toen Schenk vlakbij was. “Aan Floris Verster,” zei deze.’           
In Endegeest kwam de elektroshock als veel gebruikte therapie op, tot in de jaren vijftig voor de bestrijding van wanen en psychoses medicijnen als largactil en tofranil in zwang kwamen. De trekkar met touwen waarmee patiënten door de tuinen moesten lopen verdween, maar tuinploegen bleven: Endegeest functioneerde nog lang zelfvoorzienend voor groente. Varkenstallen leverden het nodige vlees op. In 1966 begroette Endegeest een beroemde patiënt: J.M.A. Biesheuvel. Het verhaal ‘De heer Mellenberg’ uit de debuutbundel In de bovenkooi beschrijft een patiëntenuitstapje naar Marken: ‘Wij zaten pal achter de chauffeur en die begon te schateren van het lachen. “Mooi stelletje gekken heb je meegebracht,” ginnegapte hij tegen broeder Sollie. “Ach man”, zei de laatste, “hou je bij je stuur. Dit is het neusje van de zalm van wat je op Endegeest kunt aantreffen.”’
Sollie komt terug in Biesheuvels verhaal ‘Paviljoen E’ dat de diepste afgronden van het leven illustreert, zoals een angstpsychose bij een gedwongen badbeurt: ‘In dit spierwit gekalkte vertrek zou ik worden geslacht, geofferd, gemarteld. De in de vloer verzonken baden met het hete water kwamen me voor als werktuigen uit de hel. De koperen buizen langs de muren, het schelle licht, de vele kranen, de matglazen ruiten, de opzichter in het vertrek met zijn gespierde armen en de felrode badhanddoek om zijn nek. Ik krijste als een varken in het abattoir.’
Biesheuvel brengt ons bij een andere auteur uit Endegeest: verhalenschrijver A. Moonen, gezegend met de reputatie van onze ‘meest vieze schrijver’. Hij zat in 1968 en 1970 in Endegeest: ‘Het kwam doordat ik allerlei dingen veel te intens wilde beleven.’ Ooit waren ze door programmamaker Wim Noordhoek uitgenodigd voor een VPRO-programma. Deze wist niet dat ze elkaar uit Endegeest kenden: ‘Ontzet klampte Maarten me bij binnenkomst aan. “Die man,” zei hij, wijzend op Moonen, “die man, die is gék.”’         

Jelgersma’s opvolger Eugène Carp, die met psychoanalyse minder op had, werd in 1964 afgelost door Jan Bastiaans, bekend van lsd-behandelingen bij oorlogstrauma’s. Endegeest ontsnapte niet aan de tijdgeest: voor grote opschudding zorgde eind jaren zestig een dertigtal dienstweigeraars die als verplegers waren ingezet en eisen gingen stellen rond medezeggenschap en rechtspositie. Naast de aloude alcoholisten verschenen patiënten met drugspsychosen. De jaren zeventig kwamen eraan: het ziekenhuis werd een ‘centrum’. Legendarisch blijft de Hobbitstee, een alternatieve opnamekliniek met hippiesfeer waar behandelaars en patiënten gelijkwaardig heetten te zijn.
De jaren tachtig zagen reorganisaties en verbouwingen: oude paviljoens werden afgebroken en vervangen door lage gebouwtjes met kamers in plaats van zalen. Groepsbehandeling en kleinschaligheid waren nieuwe toverwoorden. In 1987 fuseerde de Jelgersmakliniek, in de volksmond ‘De Oude Jel’ genoemd, met Endegeest en Huize Solglytt, een tehuis voor ouderenpsychiatrie binnen Leiden . Onder de patiënten treffen we ook steeds meer depressieve bejaarden aan en een nieuwe groep met specifieke problemen: buitenlanders. De tijd van ‘vermaatschappelijkte’ zorg begon, waarbij ‘zorg op maat’ werd geleverd en mensen door voorzieningen voor ‘beschermd wonen’ in de stad bleven. Het gevolg was dat Endegeest veel minder patiënten kreeg.
Beëindiging van huurcontracten werkte een nieuwe fusiegolf in de hand. Rond de eeuwwisseling ging Endegeest op in de regionale Rijngeest-groep die enkele jaren later, via een samengaan met de Robert-Fleury Stichting, GGZ Rivierduinen ging heten. In de kasteelzalen met gobelins en eikenhouten cassettenplafonds resideerde niet meer een geneesheer-directeur, maar de ‘raad van bestuur’ en concernstaf van deze instelling: het laatste overblijfsel van het zorgkasteel dat in 1897 was gestart en waaruit de patiënten al eerder waren verdwenen. In de opgeknapte Jelgersmakliniek zat al sinds 1999 het Oegstgeester gemeentehuis. De Endegeest-paviljoentjes uit de jaren tachtig gingen tegen de vlakte, net als hun meeste voorgangers uit 1897 waarvoor ze in de plaats waren gekomen. Een enorm gazon ligt nu rustgevend voor de kasteelpoort, alsof er nooit iets anders is geweest.
Het gazon voor de kasteelpoort van Endegeest,
6 oktober 2017
Foto © Jan Paul Hinrichs
Maar de patiënten zijn niet weg, alleen wat verder naar de randen van het landgoed verplaatst. Al langer zaten ze in autismecentrum Meander aan de bosrand, waar nieuwsgierige wandelaars gewaarschuwd worden niet langs de gebouwen te lopen. Achter het kasteel is nu kantoorachtige nieuwbouw in rode baksteen voltooid, die vanaf de Endegeesterstraatweg niet als inrichting herkenbaar is.

Met het vertrek van de Rivierduinen-staf uit het kasteel lijkt
Voormalige fietsenmakerij van
Endegeest, 6 oktober 2017
Foto © Jan Paul Hinrichs
het lijntje met het oorspronkelijke Endegeest definitief verbroken, al functioneert de oude kwekerij nog voor werktherapie. 
Kwekerij van Endegeest, 21 mei 2017
Foto © Jascha Hinrichs
De fietsenmakerij is onlangs gesloten. Wat een eeuw lang een bijzonder gemeentelijk en universitair initiatief was, raakte ingebed in regionale managementstructuren. In Oegstgeest blijft het ondertussen een bekend fenomeen: groepjes patiënten die onder begeleiding langzaam door het dorp lopen. Met de ervaren Albert Heijn-kassières in de De Kempenaerstraat onderhouden ze een warme band. Mannelijke patiënten alleen komen budgetbier halen. Allerlei concepten zijn op deze landgoedbewoners losgelaten: van badbehandeling in de oertijd tot toediening van het antidepressivum prozac vanaf eind jaren tachtig. Maar het bos van Endegeest blijft op ouderlijk advies verboden terrein voor de Oegstgeester jeugd. De afstand tussen patiënt en niet-patiënt bleef, net als bij Vasalis’ idioot bij zijn badbeurt: ‘elke week is hem het lot beschoren / opnieuw een bange idioot te zijn gebleven’.

*Enkele historische gegevens zijn ontleend aan Terug naar Endegeest (SUN, 1998) van Gemma Blok en Joost Vijselaar.

| Eerder gepubliceerd in Argus 1 (2017), nr. 8 (13 juni), pp. 6-7.

Het stuk verscheen daarna in twee afleveringen van De Praatvogel, juli 2017, pp. 16-18, en oktober 2017, pp. 22-24. Het gaat hier om het wijkblad van de Leidse Vogelwijk.

Zie mijn boek De poëzie van een enclave (De Wilde Tomaat, 2017) voor meer informatie over de rol van Endegeest in onze literatuur.








dinsdag 12 september 2017

Schoon & haaks [afl. 16]


SCHOON & HAAKS [AFL. 16]

In De Parelduiker staat vanaf nummer 2 van de jaargang 2014 de  rubriek ‘Schoon & haaks’ waarin ik publicaties van privédrukkers en marginale uitgevers bespreek. In de zestiende aflevering (2017, nr. 4) staan recensies van de volgende boeken:

  • Erich Kästner, Dr. Erich Kästners Lyrische Huisapotheek. Vert. Paul van den Hout. Amsterdam: De Wilde Tomaat, 2017.
  • Thomas Gray, Treurzang geschreven op een dorpskerkhof. Vert. Cornelis W. Schoneveld. Amsterdam: De Wilde Tomaat, 2017.
  • Tristan Corbière, De wrange liefdes. Vert. Martin de Koning. Ridderkerk: De Koning repro, 2017.
  • Jorgos Seferis, Gedichten. Vert. Selina Pierson. Baarn: Pominent, 2017.
  • Willem Huberts, De man met vele namen. Bertus Smit 1897-1994. Nijmegen: Flanor, 2017.
  •  Maarten Doorman, Doormans klein handorakel. 100 aforismen. Nijmegen: Flanor, 2017.
  • W.B. Yeats, De spiraal. Vert. Paul Claes, Bleiswijk: Vleugels, 2017.
  • Hans Warren, Als amethystengloed in najaarsdromen… Eerste gedichten. Woubrugge: Avalon Pers, 2016.

| Zie verder Jan Paul Hinrichs, ‘Schoon & haaks’, De Parelduiker 22 (2017), nr. 4, pp. 70-74.

 

zondag 10 september 2017

J. van Oudshoorn: Dagboek 1934-1943 (verschenen)

J. VAN OUDSHOORN: DAGBOEK 1934-1943

Op 9 september 2017 verscheen: J. van Oudshoorn, Dagboek 1934-1943. Bezorgd en van een voorwoord voorzien door Jan Paul Hinrichs. 's-Gravenhage: Statenhofpers, 2017. 132 pp.

Opl.: 75 Arabisch genummerde exemplaren in halflinnen + 15 Romeins genummerde exemplaren in halfleer. Prijs: € 90 (halflinnen).

Het gaat hier om het tweede en laatste deel van een uitgave van dagboeken van J. van Oudshoorn. In 2016 verscheen reeds Dagboek 1943-1947 bij de Statenhofpers.

Voor meer inlichtingen en bestellingen: https://statenhofpers.nl/

 
Foto Jan Paul Hinrichs, 2016


donderdag 3 augustus 2017

Miriam Merzbacher-Blumenthal: Een meisje uit Berlijn (Recensie)

EEN MEISJE UIT BERLIJN
 
Miriam Merzbacher-Blumenthal (1927) emigreerde in 1937 met haar familie van Berlijn naar Amsterdam. Haar vader vond de dood in Auschwitz, haar broer stierf in Mauthausen van waaruit hij in een brief nog optimistisch bleef. Zij en haar moeder, die ooit met Rilke correspondeerde, overleefden Theresienstadt en weken in 1947 uit naar de Verenigde Staten. Uitgeverij De Wilde Tomaat van Joan Ter Maten publiceert met Een meisje uit Berlijn een boekje met herinneringen aan de oorlogsjaren waarvan de Duitse en Engelse originelen niet in druk verschenen. Uitgangspunt zijn vaak objecten die pijnlijk aandoen, als vervanging van het leven. Over het horloge van haar vader schrijft ze: ‘Iets waarvan ik in zekere zin leven heb gemaakt […]. Daarom voel ik telkens wanneer ik het tegen mijn oor houd een wanhopige angst. Het zou kunnen dat het deze keer niet meer tikt. Maar in zekere zin houdt mijn gebaar ook een soort bevel in, of een gebed. Het moet doorgaan met tikken, altijd tikken.’ Als haar moeder is overleden, ruimt Miriam Merzbacher op: ‘De linnenkast, die ik meende in een handomdraai te kunnen opruimen, ontpopte zich als de weemoedkast.’ Ze vindt de talliet van haar broer, nog uit Berlijn meegenomen, waarvan ze niet wist dat die er nog was: ‘De wond was, en blijft, te diep, te ongeneeslijk, te onuitsprekelijk.’ De Holocaust is hier sober tot enkele tientallen bladzijden teruggebracht, tot gapend gemis. Het indrukwekkendst is het verhaal over het meisje Judith waarvoor ze oppas was. Een onbekende vrouw haalt haar weg bij haar ouders die ze nooit meer zou terugzien: ‘Ik zie alleen nog de rug van mevrouw Wijsmuller, die de wagen duwt. Ze lijkt kordaat voort te stappen. Waarheen, dat blijft een goed bewaard geheim.’ Judith overleefde als Joke in Friesland. Gemis kreeg ook een andere kant: de pleegouders leden diep toen ze haar na de oorlog weer moesten afstaan.

Miriam Merzbacher-Blumenthal, Een meisje uit Berlijn. Vert. Anne Stoffel. Amsterdam: De Wilde Tomaat, 2016. 49 p. €  8,90 (Overtoom 387-HS, 1054 JN Amsterdam dewildetomaat@ziggo.nl)

| Eerder verschenen in De Parelduiker 21 (2016), nr. 4, pp. 66-67.

L.H. Wiener: Over Bordewijk (Recensie)

WIENER OVER BORDEWIJK
 
In de Haarlemse Hof van Jan verschijnen onder de imprints Hof van Jan en de Korenmaat met regelmaat eenvoudig uitgevoerde boekjes in bibliofiele oplage. De locale matadors Geerten Meijsing, L.H. Wiener en P.F. Thomése spelen hierbij een hoofdrol. Van Wiener verschijnt nu Oog in oog met Bordewijk: een van de meer substantiële uitgaven van de Korenmaat. Het is de tekst van een lezing die Wiener op 13 september 2015 in Den Haag uitsprak ter gelegenheid van het festival dat het Bordewijk Genootschap (www.bordewijkgenootschap.nl)  vijftig jaar na de dood van Bordewijk organiseerde. Wiener zal een van de weinige aanwezigen zijn geweest die Bordewijk kenden: op zijn zeventiende bezocht hij de teruggetrokken levende, achtenzeventigjarige Haagse schrijver in zijn advocatenkantoor in Schiedam. Het was een gespannen bezoek bij een stroeve man: ‘Er valt een lange en ongemakkelijke stilte, die hij uiteindelijk opvult met de vraag of ikzelf ook al schrijf, waarop ik ontkennend antwoord, mezelf van een leugen bedienend.’ Wiener ziet de romans Bint en Rood paleis als ‘de essentiële Bordewijk’, wiens ‘latere werk niet in de schaduw kan staan van waartoe hij eerder in staat was, zoals dat overigens ook voor W.F. Hermans gold.’ Het resultaat is een enthousiasmerende tekst die lezers de weg terug naar Bordewijk kan wijzen. De verfilming van Karakter (1997) heeft voor menigeen één boek misschien iets te bekend gemaakt ten koste van de rest.

L.H. Wiener, Oog in oog met Bordewijk. Haarlem: de Korenmaat, 2016. 31 p. 150 ex. € 30 (Korte Margarethastraat 16-18, 2011 PK Haarlem info@hofvanjan.nl)

| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', in De Parelduiker 21 (2016), nr. 4, p. 66.

Apollinaire: Geheime gedichten (Recensie)

APOLLINAIRE VERTAALD
 
Deze rubriek mopperde wel eens dat uitgeverij Vleugels (voorheen Studio 3005) onbekende Franse auteurs zonder enige introductie uitgeeft. Een bewuste keuze zal dat niet zijn.  Guillaume Apollinaire (1880-1918) heeft minder introductie nodig, maar het is plezierig dat de onvermoeibare Paul Claes (1943) enige toelichting geeft bij zijn tweetalige uitgave van de Poèmes secrètes. Het gaat om hartstochtelijke, wellustige gedichten die Apollinaire in het najaar van 1915 schreef aan zijn kortstondige verloofde Madeleine Pagès. Als soldaat had hij haar in de trein ontmoet toen zij terugging naar Oran, Algerije, waar ze als lerares werkte. Hij schreef haar anderhalf jaar dagelijks. Wie bij Appollinaire  aan moeilijke gedichten denkt, komt bedrogen uit. Deze poëzie biedt heldere erotische beeldspraak, met de oorlog op de achtergrond: ‘En onze monden worden twee batterijen die elkaar beantwoorden’. Soms is Apollinaire misschien zelfs te duidelijk: ‘En ons huwelijk is een eeuwige paring / Je haardos is de tent waarin ik wil schuilen / Je benen zijn de triomfboog waardoor ik als overwinnaar rijd.’ In ieder geval hield Madeleine integrale publicatie van Apollinaires brieven aan haar tegen. De eerste ongecensureerde uitgave verscheen pas in 2005. Over receptiegeschiedenis lezen we altijd graag: dat Ernst van Altena de gedichten deels vertaalde naar een clandestiene uitgave uit 1949. Maar Claes vertaalt ze nu compleet.

Guillaume Apolinnaire, Poèmes secrets. Geheime gedichten. Vert. Paul Claes. Bleiswijk: Vleugels, 2016. 47 p. € 21,50 (Van ’t Hoffstraat 27, 2665 JL Bleiswijk info@uitgeverijvleugels.nl)

| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', in De Parelduiker 21 (2016), nr. 4, pp. 65-66.

Walter Benjamin, Ernst Bloch en i10 (Recensie)

WALTER BENJAMIN, ERNST BLOCH EN i10
 
Sociaalhistoricus en literator Arthur Lehning (1899-2000) had als drijvende kracht achter het internationale avant-garde tijdschrift i10 (1927-1929) veel baat bij contacten die hij in de jaren twintig opdeed in Parijs. Schrijver en kunsttheoreticus Walter Benjamin (1892-1940) en ‘neomarxist’ Ernst Bloch (1885-1977) ontmoette hij daar in een tijd dat nog niemand zich kon voorstellen dat deze personen decennia later iconen van de linkse beweging en Suhrkamp Verlag zouden zijn. Over Benjamin, die op de vlucht voor de nazi’s aan de Spaanse grens zelfmoord pleegde, verschenen inmiddels honderden boeken: meestal topzwaar academisch exegesewerk. Binnen zijn labyrintische oeuvre blijven de autobiografische werken Kindertijd in Berlijn rond 1900 en Dagboek uit Moskou het meest toegankelijk.  Lehnings weduwe Toke van Helmond geeft i10-correspondentie tussen Lehning, Bloch en Benjamin uit in Bin ich kein Schriftsteller? De Duitse boektitel zet de toon. Een groot deel van de tekst bestaat namelijk uit Duitse citaten: brieven van Bloch en Benjamin en aanvullend materiaal. Deze dosering is zo fors dat eigenlijk een beslissing onontkoombaar was: of alles in het Duits, ook de tekst van Van Helmond zelf, of al het Duits in het Nederlands vertaald. Het gevolg is een onrustige tekst waar de geïnteresseerde Duitse lezer ook niet veel aan heeft. De Duitse originelen van de meestal korte brieven hadden makkelijk in de voetnoten gekund die nu al twintig bladzijden beslaan. Het onderwerp is verder machtig interessant en levendig. Dat komt ook door het commentaar van Van Helmond, zoals over een ontmoeting van het drietal in Parijs in 1926 die zo geanimeerd was ‘dat Lehning zich deze tot in details herinnerde en altijd weer vertelde hoe ze lunchten met tomaten en eieren in olijfolie gebakken’. Het boekje biedt snapshots uit de avant-gardistische beweging van de jaren twintig. De hoofdrolspelers zijn voortdurend op reis. De economie van dit gebeuren is nooit zo duidelijk: hoe betaalden ze het allemaal? Het ging om mannen zonder vaste banen die het van moeizaam verdiende honoraria en elkaars solidariteit moesten hebben maar ook flink wedijverden, niet in de laatste plaats door de vrijgevochten artistieke vrouwen om hen heen die de gang van zaken misschien meer beïnvloedden dan ze zelf wilden toegeven. Die fantastische Parijse lunch van Lehnings levensgezellin Annie Grimmer, ‘van wie Bloch zeer gecharmeerd was’, heeft misschien meer nawerking gehad dan wat voor avant-gardistische tafelideeën ook. Bloch ontdekt later dat Benjamin voor een bijdrage aan i10 betaald is en hij niet en eist honorarium: ‘Ben ik geen schrijver?’ Lehning reageert laconiek en belooft te betalen: ‘het is immers sowieso bescheiden! – en het deficit is bovendien zo groot dat het geen groot verschil maakt.’ Maar deze brief kwam onbestelbaar terug. Zo’n boekje registreert ook alle vergeefsheid – bijdragen, bezoeken, reizen etc. die niet doorgingen  – die veel plannen omgeeft en die uiteindelijk even illustratief blijft als wat wel in i10 terecht kwam.

Toke van Helmond-Lehning, Bin ich kein Schriftsteller? Walter Benjamin en Ernst Bloch en hun medewerking aan i10. Rimburg: Huis Clos, 2016. 133 p. 450 ex. € 17,50 (Gerard Terborgsstraat 16 hs 1071 TM Amsterdam info@uitgeverijhuisclos.nl)
 
| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', in De Parelduiker 21 (2016), nr. 4, pp. 64-65.

Rob van Schaik: Herinneringen (Recensie)

HERINNERINGEN VAN ROB VAN SCHAIK
 
Rob van Schaik (1927) is een zoon van acteur, GAK-directeur en verzetsman Bernard van Schaik en romanschrijfster en toneelcritica Jeanne van Schaik-Willing: wereldse ouders met altijd mensen om zich heen. In het Amsterdamse artistieke milieu van rond de Tweede Wereldoorlog leerde hij veel prominenten en grote ego’s kennen. Vestdijk sliep bij hen op de Leidsegracht in de tijd dat hij op Henriëtte van Eijk uit was. Zijn moeder vond dat zij en haar vriendin Anna Blaman de vrouwelijke intellectuele top belichaamden: ‘Ik vond haar vreselijk, wat waarschijnlijk te maken had met mijn moeders extase over het hemelhoge niveau waarop hun beider geesten zich bewogen.’ Maar ook Roland Holst (‘gedroeg zich in gezelschap als een soevereine vorst’)  en A.A. Alberts (‘altijd sprekend in understatements’) kwamen langs. Van Schaik behoort tot de laatste generatie die over dit wereldje iets uit eigen beleving kan navertellen. Maar zijn boek Op weg naar een nieuwe wereld draait vooral om de grote thema’s waarmee een scholier werd geconfronteerd die rond zijn achttiende uit de oorlog kwam. Hij schildert een levendig beeld van de naoorlogse studentengeneratie in Amsterdam, ook van de disputen binnen het corps. Dispuutgenoot Johan Polak had een auto die hij buiten zicht parkeerde: ‘Dat werd dan ontdekt, waarna hij er extra mee werd geplaagd.’ Over de oorlog werd vooral gezwegen. Het was een kleine wereld waarin je Voskuil en Johan van Gogh – de vader van Theo – tegenkwam, met Ramses Shaffy op het terrasje zat, Joop Den Uyl hoorde spreken in een bovenzaaltje van Kriterion. Het woord ‘mieters’ uit Voskuils Bij nader inzien klonk overigens niet in dispuut Breero. Wel werd er ‘druk geroddeld. […] Er was nog geen sprake van een verfrissende wind die van buiten de grenzen op ons afwoei.’ Tot deze studententijd hoort ook de naoorlogse liftcultuur en de dorst naar contacten met buitenlandse studenten. Het interessantst is Van Schaiks schets van zijn studie in Amerika, een ver geheimzinnig land waarheen de reis per schip ging. Na de oorlogsjaren zorgde Amerika voor een enorm gevoel van bevrijding. De vriendschappen waren verfrissender dan in Amsterdam: ‘Je hoefde elkaars doopcel niet te lichten, je kon met een schone lei beginnen. Zonder omwegen knoopte je banden aan en wisselde je bekentenissen uit, waarmee onbedoeld het thuisfront van familie en vrienden op de achtergrond raakte.’ In Chicago kreeg Van Schaik college economie van latere beroemdheden als Milton Friedman en Friedrich Hayek, kampioen van het vrije markt-denken. Het boek bevat een schets over Hayeks nawerking, vooral via de bewondering die hij oogstte bij Ronald Reagan en Margaret Thatcher. Dit onderwerp is minder Van Schaiks eigen verhaal en was iets voor een ander boek geweest: over de naoorlogse politieke en economische orde. Hieraan leverde Van Schaik zijn bijdrage als ambtenaar op Buitenlandse Zaken en ambassadeur, laatstelijk bij de Verenigde Naties. Ook was hij VN-gezant voor Gaza en de Westbank. Een eerder boek van Van Schaik, Een schooljongen in de schaduw van de oorlog (2007), is onlangs herdrukt. Dit relaas biedt intrigerende inkijkjes in het leven op de Amsterdamse gymnasia Vossius en Barlaeus tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bijzondere aandacht heeft Van Schaik voor het lot van de joodse klasgenoten die moesten vertrekken. Hij komt ook met een zelfverwijt dat een generatie treft: ‘Ik blijf me aangesproken voelen door de verwijten van joodse vrienden die zich na augustus 1941 in de steek gelaten hebben gevoeld, omdat hun niet-joodse vrienden hen niet waren komen opzoeken of op een andere manier belangstelling hadden getoond.’ Beide boeken bevatten een massa interessante foto’s.

 
Rob van Schaik, Op weg naar een nieuwe wereld. Van servet naar tafellaken. Den Haag: eigen beheer, 2015. 182 p. € 20. Een schooljongen in de schaduw van de oorlog. Den Haag: eigen beheer, 2de druk 2015. 164 p. € 20 (rvanschaik@casema.nl)

|Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', in De Parelduiker 21 (2016), nr. 4, pp. 63-64.

woensdag 14 juni 2017

Trefpunt Riga (boek verschenen)

TREFPUNT RIGA

Zojuist verscheen bij uitgeverij Bas Lubberhuizen Trefpunt Riga, een nieuw deel in de Het Oog in 't Zeil-Stedenreeks. Zie voor meer informatie de website van Bas Lubberhuizen.
Alexander Münninghoff aan het woord, op 15 juni 2017 in boekwinkel
Pied à Terre, Amsterdam, tijdens de presentatie van Trefpunt Riga.
De advertentietekst luidt: "De Letse hoofdstad Riga is van oudsher een modieuze, kosmopolitische en muzikale handelsstad waarop Baltische Duitsers, Letten en Russen hun stempel drukten. Trefpunt Riga peilt de literaire ziel van de stad. Een melancholieke en amoureuze kant speelt de hoofdrol, met opstellen over Kurt Tucholsky, Walter
Riga, 17 september 2017
Foto © Jan Paul Hinrichs
Benjamin, Giuseppe Tomasi di Lampedusa en anderen die tegen de achtergrond van de imposante stad van Jugendstil en art deco een grote liefde troffen. Late liefde is ook het thema van het befaamde toneelstuk Herfst in Riga van Aleksej Arboezov. Dit speelt aan het strand bij Riga, waarheen we ook de jonge Osip Mandelstam en de door de tsaar verbannen Maksim Gorki volgen."


Zie verder: Jan Paul Hinrichs, Trefpunt Riga. Amsterdam: Bas Lubberhuizen, 2017. 160 pp. ISBN  9789059374966

Inhoud

Vooraf

 ‘In Riga blaffen gouden honden, zingen verzilverde hanen’
Krišjānis Barons en de magie van de dainas

‘Een kamer vol zonneschijn en hyacintengeur’
De Koerlandse visioenen van Eduard von Keyserling

 ‘Van het vreemde naar het vreemde, en altijd is het nacht’
Rainis en het vrije Letland

 ‘Hier is het goed. Dennen, zee, stilte’
Maksim Gorki aan het strand bij Riga

 ‘De man die de witte dood koos’
Anna Achmatova, Michail Koezmin en een huzaar in Riga

 ‘Dit labyrint van moestuinen, bakkerijen en prikkeldraad’
Osip Mandelstam aan het strand bij Riga

 ‘Het wordt avond, zoals het alleen hier avond kan worden’
Kurt Tucholsky en een liefde uit ‘Riiiga’

 ‘In de massa op de boulevard – een heel dik volk’
Vladimir Majakovski ongewenst in Riga

 ‘Hij kwam van een andere planeet – ik had geen tijd voor hem’
Walter Benjamin en een bolsjewiste uit Riga

 ‘Geweldige en bijna verlaten uitgestrektheden’
Giuseppe Tomasi di Lampedusa en een standshuwelijk in Riga

 ‘Het bos hier bij de grens lijkt al helemaal Russisch’
Ivan Boenin: een Nobelprijswinaar op tournee

 ‘De oude stad ligt in rook’
Johannes Bobrowski, soldaat in Letland

 ‘Oud Riga bij nacht… Boeiend, nietwaar?’
Aleksej Arboezov en een late liefde in Riga

Epiloog: Stāmeriena

Noten

Verantwoording

Illustratieverantwoording
Persoonsnamenregister

maandag 12 juni 2017

Artikel over Valeri Perelesjin

RUSSISCH ARTIKEL OVER VALERI PERELESJIN

Op 17 mei 2017 publiceerde Julija Achmedova (Юлия Ахмедова) op de website Dv ('Dal'nij Vostok')  een groot artikel over Valeri Perelesjin dat ook uitgebreid ingaat op zijn Nederlandse contacten: 'Жить, чтобы писать. Литературовед Евгений Витковский и славист Ян Паул Хинрихс о Валерии Перелешине — последнем крупном поэте «русского Китая»'. Klik hier voor de tekst.  


vrijdag 2 juni 2017

Goethe: West-oostelijke divan (Recensie)

WEST-ÖSTLICHER DIVAN VERTAALD
 
Vertalers uit het Arabisch, Chinees en Russisch hebben het maar makkelijk: het publiek gelooft noodgedwongen wel wat er staat. Duitse poëzie vertalen is vrijwel altijd een ondankbare taak als de dichter niet Paul Celan heet. Velen zullen de noodzaak ervan ook niet inzien. Maar Ard Posthuma (1942) laat zich niet ontmoedigen. Hij begon ooit met de vertaling van Nederlandse literatuur ín het Duits. Uitgeverij Suhrkamp gaf zijn vertalingen van poëzie van Lucebert, Nooteboom en Nijhoff en van Slauerhoffs roman De opstand van Guadalajara uit. Daarna waagde Posthuma zich aan beide delen Faust, compleet. Nu biedt uitgeverij Flanor een vangnet voor een droomtitel die je nooit serieus verwacht: West-oostelijke divan (1819), Goethes bonte verzameling van zo’n tweehonderd gedichten gebaseerd op klassieke oriëntaalse poëzie. Weinig verzen hebben zoveel sprankeling en magie als ‘Selige Sehnsucht’ uit deze bundel. Achteraf: het was een geschenk voor het leven dat je zo’n gedicht nog op school hoorde. Maar hoe dit ideale devies nu vertalen: ‘Und solang Du das nicht hast, / Dieses: Stirb und werde!  / Bist du nur ein trüber Gast / Auf der dunklen Erde.’ Posthuma gooit in de slotregels de zaak om, formeel maar ook een beetje inhoudelijk: ‘En wie nooit de drang ervoer, / dit verga-en-word-geboren, / zal op deze donkere vloer / nooit het licht zien gloren.’ De vertaling van ‘Erde’ door ‘vloer’ overtuigt misschien niet helemaal, maar deze gecomprimeerde verzen eisen in vertaling vaak het onmogelijke. Posthuma komt in zijn uitvoerig toegelichte, complete vertaling vaak juist heel ver. Wat blijft hangen is een verbluffend laconieke karavaan- en bazarsfeer die ook iets zegt over Goethes leven: hij had juist een verhouding met de vijfendertig jaar jongere Marianne von Willemer. Van enige gedichten die hier onder Goethes naam verschenen, bleek zij naderhand de auteur. Misschien was dit zangkwatrijn van een meisjeskoor ook wel als onderlinge grap bedoeld: ‘Dichters doen graag onderdanig / om al dienend ons te dwingen, / maar ze worden pas echt hanig / als hun liefje goed kan zingen.’ Liefde,  in deze lichtvoetige verzameling het hoofdthema, is de ware steun voor een vrije persoonlijkheid: ‘Zolang die ons is gegeven / dunkt het grootst verlies ons klein: / ieder leven laat zich leven / zolang we onszelf maar zijn.’ Voor de liefhebbers van extracten uit onze vitaminewinkels: ook Goethes welbekende gedicht ‘Ginkgo Biloba’ staat in deze prachtige bundel.

 Johann Wolfgang Goethe, West-oostelijke divan. Vert. Ard Posthuma. Nijmegen: Flanor, 2016. 213 pp. € 19,50 (Beijensstraat 30 6521 EC Nijmegen uitgeverijflanor@flanor.nl)
 
| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', De Parelduiker 21 (2016), nr. 3, pp. 66-68.

Blaise Cendrars en Louise de Vilmorin (Recensies)

VAN BLAISE CENDRARS TOT LOUISE DE VILMORIN
 
Deze rubriek schreef eerder over de kleurige, avontuurlijk vormgegeven boekjes uit de avant-gardesfeer die Marc Vleugels op zijn naamloze proefpers drukte onder de imprint Studio 3005. Inmiddels concludeert Vleugels dat de naam van zijn grafisch ontwerpbureau geen geschikte naam is voor een uitgeverij. Hij gaat verder als uitgeverij Vleugels. Vooralsnog leidt dat niet tot een beleidswijziging: de handpers blijft actief, naast uitbesteed offsetwerk. Soms combineert Vleugels als vanouds beide procedés binnen een uitgave. De productie blijft enorm. Inhoudelijk draait het nu vooral om Franse literatuur, met een enkele Nederlandse dichter erbij. Zelfs zien we een Nederlandse dichter, Lans Stroeve (1961), die uit het Nederlands in het Frans wordt vertaald. Een oorspronkelijk Nederlands gedicht van Guus Luijters (1943) heeft, wellicht niet ontoevallig, ook een Franse titel. Vooropgesteld: prachtig dat iemand dit doet. Maar hoe lang houdt zo’n Franse vloedgolf stand? Onderbouwing ontbreekt hier grotendeels. Het gaat om auteurs die onbekend zijn en vaak niet geïntroduceerd worden, ook niet minimaal. Is dit een statement voor ‘autonome kunst’? Anders begrijp ik niet waarom onder een uitbundig omslag één vierkant, kort gedicht van Christophe Tarkos (1963-2004) uitkomt waarin eigenlijk alleen ‘Ik ben vrij’ en ‘ik schrijf wat ik wil’ staat.
     Een van de geslaagdste omslagen van de uitgeverij heeft het prozagedicht Ik heb gedood! (1918) van Blaise Cendrars (1887-1961). Zijn verhaal is wel vrij bekend: de Zwitserse wereldreiziger en dichter die in de Eerste Wereldoorlog in het Franse Vreemdelingenlegioen vocht en zijn rechterarm verloor. Ik heb gedood! bevat, naast soldatenliedjes (‘Als je nodig moet kakken / Laat dan je broek maar zakken’), in rap tempo opeenvolgende beelden over marcheren, wachten in loopgraven, aanvallen en gevechtspsychologie: ‘Er is geen leider met strepen meer. Instinctief volgen we wie altijd het koelbloedigst is geweest, vaak een onopvallende gewone soldaat. Alle bluf is verdwenen. […] De angsthaas duikt weg in een hol. Sommigen doen alsof ze dood zijn. En je hebt de hele zwik arme sukkelaars die zich kranig laten afknallen zonder te weten hoe of wat.’ De titel is ontleend aan de voorlaatste zin. De ik-persoon bespringt een Duitser: ‘Ik bespring mijn tegenstander. Ik breng hem een vreselijke jaap toe. Zijn hoofd is er bijna af. Ik heb de Mof gedood. Ik was feller en sneller dan hij. Directer. Ik heb het eerst toegeslagen. Ik heb gevoel voor realiteit, ik, de dichter. Ik heb gehandeld. Ik heb gedood. Als een man die wil leven.’ Hij had geen keuze. Over het onontkoombaar toegroeien naar een fatale climax en de beestachtige realiteit van een beslissend gevecht gaat dit prozagedicht, een hoogtepunt in de oorlogsliteratuur.
      Vleugels geeft ook ‘gewone’ boeken uit: ook aan het omslag komt geen proefpers meer te pas. Negen vertaalsters uit het Frans, verenigd in het gelegenheidscollectief Atelier de Traduction d’Amsterdam, komen met Sint Eensgelee (Sainte-Unefois, 1934) van societydame Louise de Vilmorin (1902-1969). Ze behoort bij de grote verleidsters. Om enige kans bij haar te maken moest je een jachtkasteel in de Karpaten hebben of graaf Paul Pálffy ab Erdöd heten, ambassadeur van Groot-Brittannië of Orson Welles zijn. Geld, macht en aanzien waren voorwaarden: Louise jaagde op gevestigde reputaties. De roman is geschreven op instigatie van toenmalige minnaar André Malraux met wie ze aan het einde van haar leven, als hij Frans minister van cultuur is, nogmaals een relatie heeft. Na haar dood kan hij op haar kasteel blijven als partner van een jong nichtje van De Vilmorin. Voor levensbeschouwelijk gedachtegoed hoeft men bij Louise niet te zijn. In enigszins surrealistisch proza lezen we van de grillen en amoureuze en artistiekerige dagdromen van een jonge freule Gratia op een kasteel. In haar feeërieke wereld vol parken, zomerfeestjes en bezoekjes is alles afhankelijk van impulsen uit de buitenwereld. De openingszin zet de toon: ‘Toen ze een veertje zag dwarrelen in de tocht kwam freule Eensgelee op de gedachte naar de bovenkamer te gaan.’ Alle handeling blijft zo licht en willekeurig als dat veertje: proza waar men ook gemakkelijk overheen leest. De ware wereld bestaat hier niet: ‘Anderen hebben touwtjes om aan te trekken en een roeping op aarde; ik heb niets te doen’. Alleen ‘gemakkelijke pleziertjes’ blijven over. Gratia leest aan het begin de afscheidsbrief van haar laatste geliefde, graaf Sylvio: ‘Ik zou zo graag willen dat u de lange perioden op Sint Eensgelee benutte om iets te maken waarin u zich werkelijk uit. Voor u sterft moet u toch meer geweest zijn dan een belofte.’ Zijn deze roman en Louises literaire carrière een antwoord op een dergelijke uitdaging?  Het boek is schitterend uitgegeven, met een stofpatroon op het omslag dat ‘door Louise de Vilmorin veelvuldig werd toegepast in haar salon in het familiekasteel te Verrières-le-Buisson’. Elders had dit werk niet gemakkelijk het licht gezien. De vertaalsters verantwoorden hun werkwijze niet: had ieder een deel, of is er over van alles gediscussieerd en gestemd, zoals in de vertaalgroepen van Karel van het Reve, bijvoorbeeld of je ‘un soufflé’ wel met ‘haagse bluf’ mag vertalen. Het vertalerscollectief  zegt ook niets over de noodzaak van deze vertaling.  De flaptekst biedt enige informatie maar bij een in Nederland onbekende figuur met zo’n wild leven verwacht je een nawoord met een zekere duiding, ook al omdat dit proza het gevaarlijke snijpunt van leegte en subtiliteit opzoekt.

Christophe Tarkos, Ik ben vrij. Vert. Kiki Coumans. 2016. 4 pp. 40 ex. € 14,00 | Guus Luijters, Ménilmontant. 2016.  8 pp. 63 ex. | Lans Stroeve, Petit livre d’eau. Vert. Jan H. Mysjkin. 2016. 16 pp. 65 ex. € 19,50  | Blaise Cendrars, Ik heb gedood! Vert. Mirjam de Veth. 15 pp. 107 ex. € 19,50 | Louise de Vilmorin, Sint Eensgelee. Vert. Atelier de Traduction d’Amsterdam. 2016. 93 pp. € 17,95 (uitgaven van Uitgeverij Vleugels, Van ’t Hoffstraat 27 2665 JL Bleiswijk info@uitgeverijvleugels.nl)
 
| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', De Parelduiker 21 (2016), nr. 3, pp. 64-66.